Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:7603
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,966 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18400
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 24 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Berust de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag?
2. Eiser betoogt dat hij op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Daartoe voert hij aan dat hij nooit asiel heeft willen aanvragen en daarom ten onrechte op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. Daarnaast voert eiser aan dat zijn nationaliteit en identiteit al bekend waren als gevolg van zijn strafrechtelijke aanhouding, wat ook blijkt uit de grondslag waarop eiser is opgehouden. Eiser is namelijk opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld. De maatregel kon daarom niet worden gebaseerd op de a-grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 omdat deze vaststelling niet meer nodig was.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring kunnen stellen. Uit het verslag van het gehoor (M110) blijkt dat eiser expliciet heeft aangegeven een asielaanvraag te willen indienen. In reactie op de vraag of hij problemen verwacht bij terugkeer naar Marokko verklaart eiser dat hij niet terug kan keren naar Marokko. Hij vraagt op dat moment asiel aan en heeft het formulier van de asielaanvraag (M35H) ondertekend. Het gehoor is afgenomen met een beëdigde tolk en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit verslag. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister de informatie over de identiteit en nationaliteit van eiser, verkregen in het kader van de strafrechtelijke aanhouding, als uitgangspunt mocht nemen maar hiertoe niet verplicht is. Eiser kon dan ook opgehouden worden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Dit betekent echter niet dat er verder geen onderzoek gedaan mag worden naar eisers identiteit en nationaliteit in het kader van zijn asielaanvraag. Daarnaast wijst de minister er terecht op dat eiser, naast de a-grond, ook op de b-grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de maatregel van bewaring te laat omgezet?
3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. Eiser heeft namelijk op 20 april 2025 met zijn advocaat gesproken en heeft toen aangegeven nooit asiel te hebben willen aanvragen. De advocaat van eiser heeft direct hierna de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op Schiphol geïnformeerd en beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarnaast heeft hij op 21 april 2025 de Raad voor de Rechtsbijstand ingelicht. Omdat de maatregel pas op 24 april 2025 is omgezet, is dit volgens eiser niet binnen de voorgeschreven 48 uur gedaan. Eiser betoogt dat de maatregel uiterlijk op 22 april 2025 omgezet had moeten zijn omdat op 20 april 2025 bekend was dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Subsidiair betoogt eiser dat, zelfs als de intrekkingsverklaring van 22 april 2025 als uitgangspunt wordt genomen, de maatregel alsnog te laat is omgezet. Dit is namelijk niet binnen 48 uur na het ondertekenen van de intrekkingsverklaring gebeurd.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de maatregel tijdig heeft omgezet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in het beroepschrift niet wordt aangegeven dat de lopende asielaanvraag wordt ingetrokken maar dat wordt betwist dat eiser ooit een asielaanvraag heeft gedaan. Zoals onder 2.1 besproken is dit een onjuiste voorstelling van zaken. De minister heeft op zitting aangegeven dat deze mededeling, alsmede het overleg dat de advocaat heeft gevoerd met de IND op Schiphol voor de regievoerder aanleiding is geweest om op 22 april 2025 een vertrekgesprek met eiser te voeren om duidelijkheid te verkrijgen over de situatie. Tijdens dit vertrekgesprek heeft eiser aangegeven dat hij zijn asielaanvraag wil intrekken en is de intrekkingsverklaring ondertekend. Gezien de gang van zaken was het pas vanaf dat moment bij de minister bekend dat eiser zijn lopende asielaanvraag wilde intrekken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet de minister een maatregel van bewaring binnen twee dagen omzetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Eiser heeft op 22 april 2025 zijn intrekkingsverklaring ondertekend. Dit betekent dat de minister uiterlijk op 24 april 2025 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag. Dit is gebeurd. De maatregel van bewaring is immers op 24 april 2025 opgeheven. Op dezelfde dag is er een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd. Dat dit net niet binnen 48 uur is gedaan, maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is dit namelijk geen vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie ABRvS 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134 en ABRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2297.
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1869, overweging 3.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.