Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:7516
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,112 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-6635
Zaaknummer: C/09/653634
Datum beschikking: 22 april 2025
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 12 september 2023 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Beumer te Middelharnis.
Procedure
Bij beschikking van 9 juli 2024 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant deel uitmaakt van de beschikking. De behandeling van de overige nevenvoorzieningen is aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
de brief van 17 december 2024 van de man;
het F9-formulier van 5 maart 2025 van de vrouw;
de brief van 7 maart 2025 van de man;
het F9-formulier van 7 maart 2025 van de vrouw;
het F9-formulier van 14 maart 2025, met bijlage, van de vrouw;
het F9-formulier van 19 maart 2025, met bijlage, van de vrouw;
het F9-formulier van 20 maart 2025, met bijlagen, van de man;
het F9-formulier van 21 maart 2025, met bijlage, van de man.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 20 maart 2025 met de rechter gesproken.
Op 24 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man , bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Vooraf: de op 20 maart 2025 en de op 21 maart 2025 ingediende stukken
De advocaat van de vrouw heeft tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen de indiening van stukken door de man op 20 maart 2025 (producties 8 t/m 12 en producties 14 en 15) en 21 maart 2025 (productie 13). De advocaat van de vrouw stelt dat hij door de late indiening deze stukken niet voor de zitting met de vrouw heeft kunnen bespreken.
De rechtbank zal – zoals tijdens de zitting al besproken – wel kennis nemen van deze stukken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stukken niet dusdanig laat ingediend dat sprake is van strijd met de goede procesorde. Het gaat bovendien om redelijk makkelijk te doorgronden producties, zoals foto’s van de man en de kinderen, documenten waar uit blijkt dat de man een woning heeft gekocht en een verklaring van de werkgever van de man over hybride werken en het inrichten van werktijden. De omvangrijkere producties 12 en 14 zijn bijlagen van de zijde van de vrouw waar de man zijn reactie in heeft verwerkt. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om de stukken die door de man zijn ingediend op 20 maart 2025 en 21 maart 2025 buiten beschouwing te laten.
Het convenant en het deel-ouderschapsplan
De man en de vrouw hebben in het convenant onder meer afspraken gemaakt over de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het convenant is aan de tussenbeschikking van 9 juli 2024 gehecht. De rechtbank beschouwt daarom de eerder ingediende verzoeken (van de vrouw onder IV t/m XVIII en van de man onder IV en VI) op dat punt als ingetrokken.
De ouders zijn verder over de kinderen in overleg gegaan onder begeleiding van Annelies Hendriks. Dit heeft niet geleid tot volledige overeenstemming, maar de ouders hebben wel een deel-ouderschapsplan opgesteld waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De rechtbank begrijpt uit wat er tijdens de zitting is besproken dat de man verzoekt om het deel-ouderschapsplan aan deze beschikking te hechten. De rechtbank zal bepalen dat de afspraken uit het deel-ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking. Een kopie van het deel-ouderschapsplan wordt aan de beschikking gehecht.
Hoofdverblijfplaats
Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw (onder II) toewijzen.
Zorgregeling
De kinderen zijn op dit moment – zoals is bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure – bij de man iedere week op woensdag uit school tot donderdag naar school en een keer in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school (14.30 uur) tot zondag 18.45 uur, waarbij de vrouw de kinderen op zondag bij de man ophaalt.
De ouders willen nu allebei een andere zorgregeling.
De man verzoekt een uitgebreidere zorgregeling en wil – zoals hij op zitting heeft toegelicht – een ‘2-2-5-5-regeling’, waarbij de kinderen op maandag en dinsdag bij de ene ouder zijn, op woensdag en donderdag bij de andere ouder en de weekenden om en om. De man wil graag een gelijkwaardige rol vervullen in het leven van de kinderen. Volgens de man willen de kinderen hem ook vaker zien. Verder zijn de ouders goed in staat om met elkaar te communiceren over zaken rondom de kinderen. Er zijn geen contra-indicaties voor een uitbreiding van de zorgregeling, aldus de man.
De vrouw verzoekt een zorgregeling waarbij de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot zondag 18.45 uur bij de man zijn en de andere week op woensdagmiddag. Volgens de vrouw is de zorgregeling die de man verzoekt niet in het belang van de kinderen, omdat – samengevat – de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord en de ouders in de opvoeding niet op een lijn zitten qua normen en waarden. Als voorbeeld hierbij benoemt de vrouw de hoeveelheid schermtijd van de kinderen bij de man. Verder maakt de vrouw zich ook zorgen over de veiligheid, omdat de man een buitenechtelijke relatie heeft gehad en de suggestie is gewekt dat sprake zou kunnen zijn van eerwraak. De vrouw stelt dat dit contra-indicaties zijn die een co-ouderschap in de weg staan.
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen, omdat het de ouders niet lukt om overeenstemming hierover te bereiken. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om meer tijd door te brengen met hun vader dan in de huidige voorlopige regeling het geval is. De rechtbank ziet in wat de vrouw naar voren heeft gebracht geen contra-indicaties voor het uitbreiden van de zorgregeling. Hoewel de rechtbank de zorgen die de vrouw heeft (gehad) niet wil bagatelliseren, ziet de rechtbank in de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken geen aanleiding om aan te nemen dat de veiligheid van de kinderen of de ouders in het geding is. De verdere bezwaren die de vrouw heeft geuit gaan vooral over de communicatie en dat het opvoedklimaat bij de ouders verschillend is. Hoewel de communicatie tussen de ouders niet optimaal is, hebben zij wel stappen met elkaar gezet en is gebleken dat ze in staat zijn om afspraken met elkaar te maken en de overdracht van de kinderen te regelen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een dusdanig slechte communicatie dat dit uitbreiding van de zorgregeling in de weg staat. Dat de stijl van opvoeden verschillend is, vormt naar het oordeel van de rechtbank ook geen belemmering voor het meer tijd doorbrengen bij de man.
De rechtbank acht de door de man tijdens de zitting verzochte ‘2-2-5-5-regeling’ op dit moment niet in het belang van de kinderen. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn nu 11 jaar, 10 jaar en 7 jaar oud. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in het gesprek met de rechter aangegeven dat zij geen ‘week-op-week-af regeling’ willen omdat zij dan lang achtereen een van hun ouders niet zien. De rechtbank vindt het gelet hierop ook relatief lang als de kinderen vijf dagen achtereen bij een van de ouders zijn en de andere ouder niet zien. Daarom zal de rechtbank de man niet volgen in dat verzoek.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de zorgregeling die de man eerder heeft verzocht op dit moment het meest in het belang van de kinderen is. Die zorgregeling luidt als volgt:
week 1: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de man. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de vrouw. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de man, waarbij de vrouw de kinderen op zondagavond bij de man ophaalt.
week 2: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de vrouw. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de man. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de vrouw, waarbij de man de kinderen op zondagavond bij de vrouw ophaalt.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat deze meer gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ook praktisch haalbaar is, omdat de ouders – nadat de man binnenkort is verhuisd – allebei dichtbij de school van de kinderen en niet ver van elkaar vandaan in dezelfde stad zullen wonen.
De hiervoor beschreven zorgregeling zal de rechtbank opnemen in het dictum van de beschikking. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
De rechtbank wil de ouders laten weten dat zij vandaag in een aparte brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft uitgelegd wat de beslissing is.
Dictum
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de volgende zorgregeling zal gelden:
week 1: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de man. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de vrouw. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de man, waarbij de vrouw de kinderen op zondagavond bij de man ophaalt.
week 2: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de vrouw. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de man. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de vrouw, waarbij de man de kinderen op zondagavond bij de vrouw ophaalt;
*
bepaalt dat de tussen de ouders gemaakte afspraken, neergelegd in het (in kopie) aan deze beschikking gehechte deel-ouderschapsplan, deel uitmaken van deze beschikking;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 april 2025.
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-6635
Zaaknummer: C/09/653634
Datum beschikking: 22 april 2025
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 12 september 2023 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Beumer te Middelharnis.
Procedure
Bij beschikking van 9 juli 2024 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant deel uitmaakt van de beschikking. De behandeling van de overige nevenvoorzieningen is aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
de brief van 17 december 2024 van de man;
het F9-formulier van 5 maart 2025 van de vrouw;
de brief van 7 maart 2025 van de man;
het F9-formulier van 7 maart 2025 van de vrouw;
het F9-formulier van 14 maart 2025, met bijlage, van de vrouw;
het F9-formulier van 19 maart 2025, met bijlage, van de vrouw;
het F9-formulier van 20 maart 2025, met bijlagen, van de man;
het F9-formulier van 21 maart 2025, met bijlage, van de man.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 20 maart 2025 met de rechter gesproken.
Op 24 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man , bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Vooraf: de op 20 maart 2025 en de op 21 maart 2025 ingediende stukken
De advocaat van de vrouw heeft tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen de indiening van stukken door de man op 20 maart 2025 (producties 8 t/m 12 en producties 14 en 15) en 21 maart 2025 (productie 13). De advocaat van de vrouw stelt dat hij door de late indiening deze stukken niet voor de zitting met de vrouw heeft kunnen bespreken.
De rechtbank zal – zoals tijdens de zitting al besproken – wel kennis nemen van deze stukken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stukken niet dusdanig laat ingediend dat sprake is van strijd met de goede procesorde. Het gaat bovendien om redelijk makkelijk te doorgronden producties, zoals foto’s van de man en de kinderen, documenten waar uit blijkt dat de man een woning heeft gekocht en een verklaring van de werkgever van de man over hybride werken en het inrichten van werktijden. De omvangrijkere producties 12 en 14 zijn bijlagen van de zijde van de vrouw waar de man zijn reactie in heeft verwerkt. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om de stukken die door de man zijn ingediend op 20 maart 2025 en 21 maart 2025 buiten beschouwing te laten.
Het convenant en het deel-ouderschapsplan
De man en de vrouw hebben in het convenant onder meer afspraken gemaakt over de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het convenant is aan de tussenbeschikking van 9 juli 2024 gehecht. De rechtbank beschouwt daarom de eerder ingediende verzoeken (van de vrouw onder IV t/m XVIII en van de man onder IV en VI) op dat punt als ingetrokken.
De ouders zijn verder over de kinderen in overleg gegaan onder begeleiding van Annelies Hendriks. Dit heeft niet geleid tot volledige overeenstemming, maar de ouders hebben wel een deel-ouderschapsplan opgesteld waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De rechtbank begrijpt uit wat er tijdens de zitting is besproken dat de man verzoekt om het deel-ouderschapsplan aan deze beschikking te hechten. De rechtbank zal bepalen dat de afspraken uit het deel-ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking. Een kopie van het deel-ouderschapsplan wordt aan de beschikking gehecht.
Hoofdverblijfplaats
Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw (onder II) toewijzen.
Zorgregeling
De kinderen zijn op dit moment – zoals is bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure – bij de man iedere week op woensdag uit school tot donderdag naar school en een keer in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school (14.30 uur) tot zondag 18.45 uur, waarbij de vrouw de kinderen op zondag bij de man ophaalt.
De ouders willen nu allebei een andere zorgregeling.
De man verzoekt een uitgebreidere zorgregeling en wil – zoals hij op zitting heeft toegelicht – een ‘2-2-5-5-regeling’, waarbij de kinderen op maandag en dinsdag bij de ene ouder zijn, op woensdag en donderdag bij de andere ouder en de weekenden om en om. De man wil graag een gelijkwaardige rol vervullen in het leven van de kinderen. Volgens de man willen de kinderen hem ook vaker zien. Verder zijn de ouders goed in staat om met elkaar te communiceren over zaken rondom de kinderen. Er zijn geen contra-indicaties voor een uitbreiding van de zorgregeling, aldus de man.
De vrouw verzoekt een zorgregeling waarbij de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot zondag 18.45 uur bij de man zijn en de andere week op woensdagmiddag. Volgens de vrouw is de zorgregeling die de man verzoekt niet in het belang van de kinderen, omdat – samengevat – de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord en de ouders in de opvoeding niet op een lijn zitten qua normen en waarden. Als voorbeeld hierbij benoemt de vrouw de hoeveelheid schermtijd van de kinderen bij de man. Verder maakt de vrouw zich ook zorgen over de veiligheid, omdat de man een buitenechtelijke relatie heeft gehad en de suggestie is gewekt dat sprake zou kunnen zijn van eerwraak. De vrouw stelt dat dit contra-indicaties zijn die een co-ouderschap in de weg staan.
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen, omdat het de ouders niet lukt om overeenstemming hierover te bereiken. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om meer tijd door te brengen met hun vader dan in de huidige voorlopige regeling het geval is. De rechtbank ziet in wat de vrouw naar voren heeft gebracht geen contra-indicaties voor het uitbreiden van de zorgregeling. Hoewel de rechtbank de zorgen die de vrouw heeft (gehad) niet wil bagatelliseren, ziet de rechtbank in de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken geen aanleiding om aan te nemen dat de veiligheid van de kinderen of de ouders in het geding is. De verdere bezwaren die de vrouw heeft geuit gaan vooral over de communicatie en dat het opvoedklimaat bij de ouders verschillend is. Hoewel de communicatie tussen de ouders niet optimaal is, hebben zij wel stappen met elkaar gezet en is gebleken dat ze in staat zijn om afspraken met elkaar te maken en de overdracht van de kinderen te regelen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een dusdanig slechte communicatie dat dit uitbreiding van de zorgregeling in de weg staat. Dat de stijl van opvoeden verschillend is, vormt naar het oordeel van de rechtbank ook geen belemmering voor het meer tijd doorbrengen bij de man.
De rechtbank acht de door de man tijdens de zitting verzochte ‘2-2-5-5-regeling’ op dit moment niet in het belang van de kinderen. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn nu 11 jaar, 10 jaar en 7 jaar oud. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in het gesprek met de rechter aangegeven dat zij geen ‘week-op-week-af regeling’ willen omdat zij dan lang achtereen een van hun ouders niet zien. De rechtbank vindt het gelet hierop ook relatief lang als de kinderen vijf dagen achtereen bij een van de ouders zijn en de andere ouder niet zien. Daarom zal de rechtbank de man niet volgen in dat verzoek.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de zorgregeling die de man eerder heeft verzocht op dit moment het meest in het belang van de kinderen is. Die zorgregeling luidt als volgt:
week 1: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de man. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de vrouw. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de man, waarbij de vrouw de kinderen op zondagavond bij de man ophaalt.
week 2: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de vrouw. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de man. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de vrouw, waarbij de man de kinderen op zondagavond bij de vrouw ophaalt.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat deze meer gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ook praktisch haalbaar is, omdat de ouders – nadat de man binnenkort is verhuisd – allebei dichtbij de school van de kinderen en niet ver van elkaar vandaan in dezelfde stad zullen wonen.
De hiervoor beschreven zorgregeling zal de rechtbank opnemen in het dictum van de beschikking. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
De rechtbank wil de ouders laten weten dat zij vandaag in een aparte brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft uitgelegd wat de beslissing is.
Dictum
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de volgende zorgregeling zal gelden:
week 1: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de man. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de vrouw. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de man, waarbij de vrouw de kinderen op zondagavond bij de man ophaalt.
week 2: de kinderen zijn van zondagavond (18.45 uur) tot woensdag naar school bij de vrouw. Van woensdag uit school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de man. Van vrijdag uit school tot zondagavond (18.45 uur) zijn de kinderen vervolgens weer bij de vrouw, waarbij de man de kinderen op zondagavond bij de vrouw ophaalt;
*
bepaalt dat de tussen de ouders gemaakte afspraken, neergelegd in het (in kopie) aan deze beschikking gehechte deel-ouderschapsplan, deel uitmaken van deze beschikking;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 april 2025.