Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:7510
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,970 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44875
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Benali),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (hierna: vergunning) en het opgelegde inreisverbod voor de duur van tien jaar. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 maart 2024 de vergunning ingetrokken en het inreisverbod opgelegd.
1.1.
Verweerder heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. T. Sleeman (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser) en de gemachtigde van verweerder. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een tijd geleden als kind een afgeleide asielvergunning voor bepaalde tijd gekregen in verband met de asielvergunning van zijn moeder. Vanaf eind 2015 is eisers vergunning voor bepaalde tijd gewijzigd in een vergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de vergunning van eiser met het bestreden besluit ingetrokken vanaf 4 juni 2019 en hem een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Eiser zou een gevaar voor de openbare orde zijn. Hij vormt daarnaast door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het Unierechtelijke openbare-ordecriterium). Verweerder heeft tot slot geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op een nieuwe asielvergunning. Hij heeft namelijk geen gegronde vrees voor vervolging in het land van terugkeer (Afghanistan) en zal daar ook geen reëel risico op ernstige schade lopen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat zijn vergunning ten onrechte is ingetrokken en dat hem ten onrechte een inreisverbod is opgelegd. Hij vormt geen gevaar voor de openbare orde en aan het Unierechtelijke openbare-ordecriterium wordt niet voldaan. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het recht om zijn familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen en dat hij niet naar Afghanistan kan omdat hij daar gevaar loopt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt vast dat eiser het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. De rechtbank ziet echter aanleiding om zich allereerst uit te laten over de vraag of eiser nog wel een belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep (procesbelang). Het volgende is relevant bij de beantwoording van die vraag.4.1. Eiser was niet aanwezig bij de zitting. Mr. T. Sleeman heeft tijdens de zitting verklaard dat hij noch mr. S. Benali contact met eiser heeft. Hoewel geprobeerd is telefonisch en per e-mail contact te krijgen met eiser, is dit niet gelukt. Mr. T. Sleeman heeft ook contact gehad met de daklozenopvang waar eiser voor het laatst verbleef, met eisers laatste contactpersoon bij de Reclassering en met de Penitentiaire Inrichting in [plaats]. Geen van deze contactpersonen dan wel instanties hebben echter eiser op dit moment in zicht of contact met hem. Mr. T. Sleeman heeft tijdens de zitting verder toegelicht dat eiser op 24 april 2024 een intakegesprek heeft gehad met mr. S. Benali. Daarna is op 28 mei 2024 aan eiser een kopie van het beroepschrift per e-mail opgestuurd. Eiser heeft hierop niet gereageerd en daarna ook niets meer van zich laten horen.
4.2.
Op basis van de voorgaande omstandigheden stelt de rechtbank vast dat zowel mr. S. Benali als mr. T. Sleeman geen contact (meer) hebben gehad met eiser sinds de intake op 24 april 2024. Dat is bijna een jaar geleden. Ook na meerdere pogingen om eiser te bereiken, is het niet gelukt om contact met hem te krijgen. Gelet daarop kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat eiser geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser heeft daarom geen procesbelang.
4.3.
Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek of tegenwerping van nationale procedureregels – in dit geval de termijn voor het indienen van de beroepsgronden achterwege moet blijven, omdat sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar – achterwege kan blijven. Aan een inhoudelijke beoordeling kan de rechtbank namelijk nooit toekomen, omdat eiser niet alleen niet tijdig beroep heeft ingediend, maar daarnaast ook geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep, omdat hij al lange tijd geen contact meer heeft met zijn gemachtigde.
Conclusie
4.4.
Nu eiser geen procesbelang meer heeft, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, voorzitter, en mr. M.D. Gunster en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Artikel 8 van het EVRM.
Artikel 3 van het EVRM.
Zie overweging 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland van 19 februari 1998 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44875
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Benali),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (hierna: vergunning) en het opgelegde inreisverbod voor de duur van tien jaar. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 maart 2024 de vergunning ingetrokken en het inreisverbod opgelegd.
1.1.
Verweerder heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. T. Sleeman (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser) en de gemachtigde van verweerder. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een tijd geleden als kind een afgeleide asielvergunning voor bepaalde tijd gekregen in verband met de asielvergunning van zijn moeder. Vanaf eind 2015 is eisers vergunning voor bepaalde tijd gewijzigd in een vergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de vergunning van eiser met het bestreden besluit ingetrokken vanaf 4 juni 2019 en hem een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Eiser zou een gevaar voor de openbare orde zijn. Hij vormt daarnaast door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het Unierechtelijke openbare-ordecriterium). Verweerder heeft tot slot geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op een nieuwe asielvergunning. Hij heeft namelijk geen gegronde vrees voor vervolging in het land van terugkeer (Afghanistan) en zal daar ook geen reëel risico op ernstige schade lopen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat zijn vergunning ten onrechte is ingetrokken en dat hem ten onrechte een inreisverbod is opgelegd. Hij vormt geen gevaar voor de openbare orde en aan het Unierechtelijke openbare-ordecriterium wordt niet voldaan. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het recht om zijn familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen en dat hij niet naar Afghanistan kan omdat hij daar gevaar loopt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt vast dat eiser het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. De rechtbank ziet echter aanleiding om zich allereerst uit te laten over de vraag of eiser nog wel een belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep (procesbelang). Het volgende is relevant bij de beantwoording van die vraag.4.1. Eiser was niet aanwezig bij de zitting. Mr. T. Sleeman heeft tijdens de zitting verklaard dat hij noch mr. S. Benali contact met eiser heeft. Hoewel geprobeerd is telefonisch en per e-mail contact te krijgen met eiser, is dit niet gelukt. Mr. T. Sleeman heeft ook contact gehad met de daklozenopvang waar eiser voor het laatst verbleef, met eisers laatste contactpersoon bij de Reclassering en met de Penitentiaire Inrichting in [plaats]. Geen van deze contactpersonen dan wel instanties hebben echter eiser op dit moment in zicht of contact met hem. Mr. T. Sleeman heeft tijdens de zitting verder toegelicht dat eiser op 24 april 2024 een intakegesprek heeft gehad met mr. S. Benali. Daarna is op 28 mei 2024 aan eiser een kopie van het beroepschrift per e-mail opgestuurd. Eiser heeft hierop niet gereageerd en daarna ook niets meer van zich laten horen.
4.2.
Op basis van de voorgaande omstandigheden stelt de rechtbank vast dat zowel mr. S. Benali als mr. T. Sleeman geen contact (meer) hebben gehad met eiser sinds de intake op 24 april 2024. Dat is bijna een jaar geleden. Ook na meerdere pogingen om eiser te bereiken, is het niet gelukt om contact met hem te krijgen. Gelet daarop kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat eiser geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser heeft daarom geen procesbelang.
4.3.
Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek of tegenwerping van nationale procedureregels – in dit geval de termijn voor het indienen van de beroepsgronden achterwege moet blijven, omdat sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar – achterwege kan blijven. Aan een inhoudelijke beoordeling kan de rechtbank namelijk nooit toekomen, omdat eiser niet alleen niet tijdig beroep heeft ingediend, maar daarnaast ook geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep, omdat hij al lange tijd geen contact meer heeft met zijn gemachtigde.
Conclusie
4.4.
Nu eiser geen procesbelang meer heeft, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, voorzitter, en mr. M.D. Gunster en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Artikel 8 van het EVRM.
Artikel 3 van het EVRM.
Zie overweging 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland van 19 februari 1998 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.