Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:7418
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
976 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32159
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Ceylan), en
de Minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Op 15 juli 2024 heeft verzoeker een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend.
Met het besluit van 17 juli 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verzoeker geeft in haar verzoek aan bezwaar te hebben gemaakt tegen het besluit tot afwijzing. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening (hierna: verzoek) indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In dit geval is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.2
4. De rechtbank heeft verzoeker op 5 september 2024 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief bij rechtbank retour is gekomen vanwege een onjuiste adressering. Naar aanleiding hiervan heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van verzoeker en gemachtigde verzocht om de juiste adressering te verschaffen. De rechtbank heeft verzoeker vervolgens op 8 november 2024 een aangetekende brief verstuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 14 november 2024 om 14:39 is bezorgd bij het kantoor van de gemachtigde van verzoeker. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoeker heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 8:82, derde lid en artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
5. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het verzoek doen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.3
Conclusie
6. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier.
3 Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 januari 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.