Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:7413
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,824 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51027
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Hierbij is ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1977 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Op 29 januari 2024 heft eiser een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft vanwege zijn biseksuele gerichtheid.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder vindt de biseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn persoonlijke ervaring bij het proces van ontdekking en de ontwikkeling van zijn biseksuele gerichtheid. Hij heeft ongerijmd verklaard over hoe hij zichzelf voelt en ziet en oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens voor mannen en de drang die hij voelt. Verder heeft hij summier en oppervlakkig verklaard over zijn relatie met [naam 1]. Daarnaast heeft hij vaag en summier verklaard over zijn kennis van de situatie van LHBTI’ers in Nederland en de LHBTI-organisaties. Verweerder heeft bij de beoordeling rekening gehouden met het referentiekader en heeft uitgelegd dat van eiser verwacht mag worden dat hij op eenvoudige wijze verklaart over zijn gevoelens en ervaringen. Ook de door eiser gestelde problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid zijn niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn biseksuele gerichtheid de reden is dat hij is neergestoken in Marokko. Bovendien heeft hij nog jaren daarna in Marokko gewoond en heeft eiser zijn aanvraag niet zo snel mogelijk ingediend toen hij in Nederland aankwam, zonder goede verklaring daarvoor. Eiser verbleef namelijk al meer dan twintig jaar in Nederland voordat hij zijn asielaanvraag heeft ingediend. Die aanvraag is mede daarom afgedaan als kennelijk ongegrond. Tevens ligt hieraan ten grondslag dat Marokko een veilig land van herkomst is, eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en hij de aanvraag alleen heeft gedaan om uitzetting naar Marokko te voorkomen. Het inreisverbod is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft de relatie en het samenwonen met zijn gestelde partner niet aangetoond en heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen zijn in Nederland woonachtige ouders en hem.
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Hij heeft een eenvoudige cognitieve ontwikkeling, psychische problemen en heeft geen formeel onderwijs gehad. Eiser heeft hierover medische informatie overgelegd. Hij heeft binnen zijn mogelijkheden voldoende inzicht gegeven in het proces van ontdekking en de ontwikkeling van zijn gerichtheid. Hij heeft consistent verklaard dat de lust hem blij maakt. Tegelijkertijd schaamt hij zich hiervoor. Verder is de bevrediging van de seksuele behoefte een manier om invulling te geven aan zijn geaardheid. Hierbij verwijst eiser naar een rapportage van COC. Hij beleeft zijn geaardheid meer via seks dan via liefde of diepe gevoelens. Eiser heeft ook niet tegenstrijdig verklaard over het hebben van een relatie. Hij dacht namelijk dat de vraag naar relaties ging over zijn relaties in Marokko. Eisers relatie met [naam 1] was een geheime relatie en was enkel fysiek van aard. Zij hadden geen interesse in elkaars familie. Eiser heeft verder verklaard dat hij weet dat er ontmoetingsplekken zijn, zoals parken, cafés en discotheken. Verweerder heeft over de LHBTI-organisaties maar één vraag gesteld. Dit kan dus niet aan eiser worden tegengeworpen. Eiser kan niet bewijzen dat zijn verwonding destijds in Marokko het gevolg is van zijn seksuele geaardheid, maar het is wel een indicatie en hieraan moet dus bewijswaarde worden toegekend. Bovendien kan de aanvraag niet als kennelijk ongegrond worden afgewezen. Eiser heeft immers zijn seksuele geaardheid aangetoond en Marokko is voor hem dus geen veilig land van herkomst. Ook heeft hij in deze procedure geen alias gebruikt en door de aanvraag door te zetten heeft hij aangetoond dat hij met zijn asielaanvraag niet alleen de uitzetting wilde voorkomen. De uitzetting heeft slechts een katalyserend effect gehad. Tot slot had aan eiser ook geen inreisverbod mogen worden opgelegd, gelet op zijn lange verblijfsduur in Nederland en zijn relatie met zijn partner, [naam 2] en het feit dat hij de zorg draagt voor zijn ouders in Nederland. Zijn relatie met [naam 2] is met een huwelijk gelijk te stellen, nu hij elke dag bij haar is in haar woning bij de Stichting Philadelphia en hij ook wekelijks vier nachten bij haar verblijft. Ook is hij het enige gezinslid dat de zorg voor zijn ouders op zich kan nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Referentiekader
4. Uit het gehoor en het bestreden besluit volgt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De hoormedewerker heeft regelmatig gevraagd of de vragen duidelijk waren, extra uitleg gegeven als een vraag onduidelijk was voor eiser en meerdere keren uitgelegd dat eiser meer moest vertellen over zijn persoonlijke gevoelens en daar ook de ruimte voor gegeven aan eiser. Verder is in het voornemen en het besluit kenbaar meegewogen dat eiser analfabeet is en geen onderwijs heeft gevolgd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Biseksuele geaardheid
5. Uit de Werkinstructie 2019/17 volgt dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid het zwaartepunt ligt bij de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe de ervaringen van de vreemdeling in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een LHBT-gerichtheid maatschappelijk onacceptabel is of zelfs strafbaar is gesteld.
6. Verweerder heeft de gestelde biseksuele geaardheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft verklaard dat zijn geaardheid zich heeft ontwikkeld, doordat hij in zijn jongere jaren in Marokko regelmatig seksueel is misbruikt. Dit geeft echter geen inzicht in eisers gevoelens en persoonlijke beleving en hoe die zich hebben ontwikkeld. De verwijzing naar het rapport van COC en dat hij zijn geaardheid beleeft via seks is hiervoor onvoldoende. Hij heeft in de tweede zienswijze en beroepschrift toegelicht dat hij zich op bepaalde momenten blij voelt en op andere momenten schaamte, afhankelijk van hoe sterk zijn drang is. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft uitgelegd waarom deze toelichting niet bij de eerdere zienswijze en beroep naar voren is gebracht. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat die toelichting niet rijmt met eisers eerdere verklaring dat hij enkel blijdschap voelde en dat het tegenstrijdig is dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij zijn gevoelens normaal vindt en anderzijds dat hij zich schaamt en zich minderwaardig voelt.
7. Verder heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard over zijn relatie met [naam 1]. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij meer inzicht gaf in zijn gevoelens voor [naam 1] en waarover zij gesprekken voerden. Dit klemt te meer nu zij volgens eiser ruim acht jaar een relatie hebben gehad.
8. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser summier heeft verklaard over hoe hij zich in Nederland uit en over de situatie van LHBTI’ers in Nederland. Gelet op zijn lange verblijf in Nederland mocht van eiser worden verwacht dat hij hierover meer kon verklaren, ondanks zijn referentiekader.
Kennelijk ongegrond
9. Nu eisers asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, kon verweerder de asielaanvraag ook afwijzen als kennelijk ongegrond. Gelet op het voorgaande is Marokko, ook voor eiser, een veilig land van herkomst. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend.
Conclusie
12. Verweerder heeft de asielaanvraag niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, maar het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, voor zover dit besluit ziet op het opleggen van een inreisverbod aan eiser, in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover hierbij aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd.
12. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bij het bestreden besluit opgelegde inreisverbod; en
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, c, f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Voornemen van 29 februari 2024 en daaropvolgend besluit van 7 maart 2024
ECLI:RVS:2015:2538
Richtlijn 2008/115/EG
Besluit proceskosten bestuursrecht.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51027
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Hierbij is ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1977 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Op 29 januari 2024 heft eiser een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft vanwege zijn biseksuele gerichtheid.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder vindt de biseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn persoonlijke ervaring bij het proces van ontdekking en de ontwikkeling van zijn biseksuele gerichtheid. Hij heeft ongerijmd verklaard over hoe hij zichzelf voelt en ziet en oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens voor mannen en de drang die hij voelt. Verder heeft hij summier en oppervlakkig verklaard over zijn relatie met [naam 1]. Daarnaast heeft hij vaag en summier verklaard over zijn kennis van de situatie van LHBTI’ers in Nederland en de LHBTI-organisaties. Verweerder heeft bij de beoordeling rekening gehouden met het referentiekader en heeft uitgelegd dat van eiser verwacht mag worden dat hij op eenvoudige wijze verklaart over zijn gevoelens en ervaringen. Ook de door eiser gestelde problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid zijn niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn biseksuele gerichtheid de reden is dat hij is neergestoken in Marokko. Bovendien heeft hij nog jaren daarna in Marokko gewoond en heeft eiser zijn aanvraag niet zo snel mogelijk ingediend toen hij in Nederland aankwam, zonder goede verklaring daarvoor. Eiser verbleef namelijk al meer dan twintig jaar in Nederland voordat hij zijn asielaanvraag heeft ingediend. Die aanvraag is mede daarom afgedaan als kennelijk ongegrond. Tevens ligt hieraan ten grondslag dat Marokko een veilig land van herkomst is, eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en hij de aanvraag alleen heeft gedaan om uitzetting naar Marokko te voorkomen. Het inreisverbod is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft de relatie en het samenwonen met zijn gestelde partner niet aangetoond en heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen zijn in Nederland woonachtige ouders en hem.
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Hij heeft een eenvoudige cognitieve ontwikkeling, psychische problemen en heeft geen formeel onderwijs gehad. Eiser heeft hierover medische informatie overgelegd. Hij heeft binnen zijn mogelijkheden voldoende inzicht gegeven in het proces van ontdekking en de ontwikkeling van zijn gerichtheid. Hij heeft consistent verklaard dat de lust hem blij maakt. Tegelijkertijd schaamt hij zich hiervoor. Verder is de bevrediging van de seksuele behoefte een manier om invulling te geven aan zijn geaardheid. Hierbij verwijst eiser naar een rapportage van COC. Hij beleeft zijn geaardheid meer via seks dan via liefde of diepe gevoelens. Eiser heeft ook niet tegenstrijdig verklaard over het hebben van een relatie. Hij dacht namelijk dat de vraag naar relaties ging over zijn relaties in Marokko. Eisers relatie met [naam 1] was een geheime relatie en was enkel fysiek van aard. Zij hadden geen interesse in elkaars familie. Eiser heeft verder verklaard dat hij weet dat er ontmoetingsplekken zijn, zoals parken, cafés en discotheken. Verweerder heeft over de LHBTI-organisaties maar één vraag gesteld. Dit kan dus niet aan eiser worden tegengeworpen. Eiser kan niet bewijzen dat zijn verwonding destijds in Marokko het gevolg is van zijn seksuele geaardheid, maar het is wel een indicatie en hieraan moet dus bewijswaarde worden toegekend. Bovendien kan de aanvraag niet als kennelijk ongegrond worden afgewezen. Eiser heeft immers zijn seksuele geaardheid aangetoond en Marokko is voor hem dus geen veilig land van herkomst. Ook heeft hij in deze procedure geen alias gebruikt en door de aanvraag door te zetten heeft hij aangetoond dat hij met zijn asielaanvraag niet alleen de uitzetting wilde voorkomen. De uitzetting heeft slechts een katalyserend effect gehad. Tot slot had aan eiser ook geen inreisverbod mogen worden opgelegd, gelet op zijn lange verblijfsduur in Nederland en zijn relatie met zijn partner, [naam 2] en het feit dat hij de zorg draagt voor zijn ouders in Nederland. Zijn relatie met [naam 2] is met een huwelijk gelijk te stellen, nu hij elke dag bij haar is in haar woning bij de Stichting Philadelphia en hij ook wekelijks vier nachten bij haar verblijft. Ook is hij het enige gezinslid dat de zorg voor zijn ouders op zich kan nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Referentiekader
4. Uit het gehoor en het bestreden besluit volgt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De hoormedewerker heeft regelmatig gevraagd of de vragen duidelijk waren, extra uitleg gegeven als een vraag onduidelijk was voor eiser en meerdere keren uitgelegd dat eiser meer moest vertellen over zijn persoonlijke gevoelens en daar ook de ruimte voor gegeven aan eiser. Verder is in het voornemen en het besluit kenbaar meegewogen dat eiser analfabeet is en geen onderwijs heeft gevolgd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Biseksuele geaardheid
5. Uit de Werkinstructie 2019/17 volgt dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid het zwaartepunt ligt bij de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe de ervaringen van de vreemdeling in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een LHBT-gerichtheid maatschappelijk onacceptabel is of zelfs strafbaar is gesteld.
6. Verweerder heeft de gestelde biseksuele geaardheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft verklaard dat zijn geaardheid zich heeft ontwikkeld, doordat hij in zijn jongere jaren in Marokko regelmatig seksueel is misbruikt. Dit geeft echter geen inzicht in eisers gevoelens en persoonlijke beleving en hoe die zich hebben ontwikkeld. De verwijzing naar het rapport van COC en dat hij zijn geaardheid beleeft via seks is hiervoor onvoldoende. Hij heeft in de tweede zienswijze en beroepschrift toegelicht dat hij zich op bepaalde momenten blij voelt en op andere momenten schaamte, afhankelijk van hoe sterk zijn drang is. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft uitgelegd waarom deze toelichting niet bij de eerdere zienswijze en beroep naar voren is gebracht. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat die toelichting niet rijmt met eisers eerdere verklaring dat hij enkel blijdschap voelde en dat het tegenstrijdig is dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij zijn gevoelens normaal vindt en anderzijds dat hij zich schaamt en zich minderwaardig voelt.
7. Verder heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard over zijn relatie met [naam 1]. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij meer inzicht gaf in zijn gevoelens voor [naam 1] en waarover zij gesprekken voerden. Dit klemt te meer nu zij volgens eiser ruim acht jaar een relatie hebben gehad.
8. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser summier heeft verklaard over hoe hij zich in Nederland uit en over de situatie van LHBTI’ers in Nederland. Gelet op zijn lange verblijf in Nederland mocht van eiser worden verwacht dat hij hierover meer kon verklaren, ondanks zijn referentiekader.
Kennelijk ongegrond
9. Nu eisers asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, kon verweerder de asielaanvraag ook afwijzen als kennelijk ongegrond. Gelet op het voorgaande is Marokko, ook voor eiser, een veilig land van herkomst. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend.
Conclusie
12. Verweerder heeft de asielaanvraag niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, maar het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, voor zover dit besluit ziet op het opleggen van een inreisverbod aan eiser, in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover hierbij aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd.
12. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bij het bestreden besluit opgelegde inreisverbod; en
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, c, f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Voornemen van 29 februari 2024 en daaropvolgend besluit van 7 maart 2024
ECLI:RVS:2015:2538
Richtlijn 2008/115/EG
Besluit proceskosten bestuursrecht.