Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:7306
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,576 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.16139 en AWB 25/8073
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2025 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 21 maart 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser per 21 maart 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen.
1.1.
Het COa en de minister hebben op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister en het COa. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel en de plaatsing van eiser in de HTL rechtmatig zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Op de zitting heeft eiser zijn beroepsgrond over het GZA-akkoord laten vallen.
4. Uit de verslaglegging van het COa blijkt het volgende. Eiser heeft zich op 18 maart 2025 agressief gedragen richting beveiligers en COa-medewerkers. Daarbij heeft hij meerdere keren en op verschillende momenten richting de COa-beveiligers, COa-medewerkers maar ook medebewoners geschreeuwd dat hij ze allemaal zal vermoorden en heeft daarbij met zijn hand een snijbeweging over zijn hals gemaakt.
5. De rechtbank vindt dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten dat eiser in de HTL kan worden geplaatst.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het COa het incident gedetailleerd heeft weergegeven. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiser dat het COa-verslag geen objectieve, verifieerbare feiten bevat is onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Datzelfde geldt voor de stelling van eiser op de zitting dat hij niet agressief is geweest en niet heeft gezegd dat hij mensen gaat vermoorden. Daarnaast volgt de rechtbank niet dat het COa geen deugdelijk onderzoek zou hebben gedaan. Uit de dossierstukken maakt de rechtbank op dat eiser zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken, maar dat het voor de medewerkers van het COa en de minister niet mogelijk was om een normaal gesprek met eiser te voeren vanwege zijn verbale agressie. De rechtbank overweegt verder dat de stelling dat eiser niet is aangehouden door de politie, niet maakt dat het COa het besluit onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is het incident dan ook terecht aangemerkt als een incident met zeer grote impact en heeft het COa hierin terecht aanleiding gezien om over te gaan tot plaatsing van eiser in de HTL. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Als het gaat om de overige gronden, heeft deze rechtbank en zittingsplaats op 16 februari 2024 geoordeeld dat de plaatsing in de HTL geen vrijheidsontneming oplevert en ook niet in algemene zin in strijd is met artikel 3 of 8 van het EVRM. De Afdeling heeft dit vervolgens bevestigd op 11 september 2024. De rechtbank ziet in het door eiser genoemde artikel van mr. F.W. Verbaas in de A&MR en de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, geen aanleiding om hiervan af te wijken.
7. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, op 30 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2024:1889.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:3564 en ECLI:NL:RVS:2024:3565.
Over geweldgebruik, de ROV-kamer en de vreemde wereld van boa’s.
ECLI:NL:RBDHA:2023:5603.