Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:7172
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,172 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50523
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 december 2024 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het besluit rechtsgeldig bekendgemaakt?
4. De minister heeft het besluit van 10 december 2024 in het Portaal voor Advocaten (Portaal) geplaatst. Eiser betwist dat het besluit hiermee op juiste wijze, en dus rechtsgeldig, bekend is gemaakt. Hij stelt dat zijn gemachtigde geen toestemming heeft gegeven om het besluit (uitsluitend) digitaal bekend te maken. De minister had het besluit daarom, net als het voornemen, per fax of per post moeten versturen.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser op 17 december 2024 beroep heeft ingesteld tegen het op 10 december 2024 in het Portaal geplaatste besluit. De gemachtigde was dus in ieder geval op 17 december 2024 op de hoogte van het besluit. Dat, zoals eiser stelt, het besluit van 10 december 2024 niet op rechtsgeldige wijze is bekendgemaakt heeft hem dus in die zin niet benadeeld. Eiser heeft namelijk binnen de in het besluit genoemde termijn beroep ingediend. Het betoog dat eiser door de wijze van bekendmaken wel is benadeeld, omdat hij niet tijdig een voorlopige voorziening – om schorsende werking van het bestreden besluit te kunnen bewerkstellingen – heeft kunnen indienen, leidt niet tot een ander oordeel. Nadat eiser op 17 december 2024 op de hoogte is geraakt van het besluit heeft hij niet gelijktijdig met het beroep dan wel binnen 24 uur, maar pas bijna een maand later, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De behandeling van dat verzoek, en de daarna ingediende verzoeken, heeft eiser bovendien in Nederland mogen afwachten en hij is pas overgedragen aan Duitsland nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op die verzoeken. Omdat niet gebleken is dat eiser door de plaatsing van het besluit in het Portaal is benadeeld, zal de rechtbank de vraag of het besluit op rechtsgeldige wijze is bekendgemaakt niet beantwoorden. Wat eiser verder heeft aangevoerd behoeft ook geen bespreking. Omdat eiser geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd kan het bestreden besluit in stand blijven.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling is genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.