Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:7171
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,807 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16919
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I. Wudka),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
1. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser voert daarbij aan dat hij aangeeft dat hij zo snel mogelijk terug wil naar Turkije maar dat hij inmiddels al meer dan een maand in vreemdelingenbewaring zonder te zien wat er gebeurt aan zijn uitzetting.
1.1.
De rechtbank merkt op dat op 18 maart 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Ter zitting is verder toegelicht dat op 20 maart 2025 een verzoek tot terugname en overname (T&O) is gedaan bij de Turkse autoriteiten. Weliswaar zit dit verzoek niet in het dossier maar dit wordt door eiser ook niet betwist. Vervolgens is op 17 april 2025 een tweede vertrekgesprek gevoerd. Dit verslag ontbreekt in het dossier wegens een digitale storing bij Dienst Terugkeer & Vertrek maar eiser heeft bevestigd dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Dat er nog geen antwoord is van de Turkse autoriteiten maakt het niet anders, gelet op het feit dat een aantal weken zijn verstreken. Aan de Turkse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om het T&O-verzoek in orde te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
2. De rechtbank merkt ambtshalve op dat ten tijde van de inbewaringstelling de vertrektermijn van vier weken, zoals vastgesteld in het terugkeerbesluit van 13 februari 2025, nog niet was verstreken. De minister heeft dit ook ter zitting bevestigd. De minister stelt zich op het standpunt dat de vertrektermijn is komen te vervallen omdat eiser op 13 maart 2025, de dag van de inbewaringstelling, is aangehouden in verband met de verdenking van een misdrijf. Dit is op grond van artikel 62, tweede lid, onder c van de Vw 2000 reden om de vertrektermijn te verkorten. De minister stelt dat hiervoor geen nieuw terugkeerbesluit genomen hoeft te worden aangezien de vertrektermijn van rechtswege zou vervallen.
2.1.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn betoog dat de vertrektermijn van rechtswege is komen te vervallen op grond van artikel 62, tweede lid, onder c van de Vw 2000. De rechtbank merkt op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen dat aan het verkorten van een vertrektermijn op grond van dit artikel voorafgaand onderzoek moet worden gedaan en dat de uitkomst van dit onderzoek gemotiveerd moet worden in het terugkeerbesluit. De minister moet dus in het terugkeerbesluit motiveren waarom eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Dat heeft de minister niet gedaan. Dit betekent dat het terugkeerbesluit van 13 februari 2025 onverkort geldig is en de vertrektermijn nog steeds vier weken bedraagt. Deze vertrektermijn was nog niet verstreken ten tijde van de oplegging van de inbewaringstelling. Eiser had namelijk tot en met 13 maart 2025 (de dag van de inbewaringstelling) de tijd om Nederland uit eigen beweging te verlaten.
2.2.
Eiser is in bewaring gesteld ter fine van uitzetting. Dat betekent dat de bevoegdheid van de minister om eiser in bewaring te stellen afhankelijk is van diens bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2009. De minister was in dit geval niet bevoegd om eiser ten tijde van de inbewaringstelling uit te zetten. Uit artikel 63, eerste lid, van de Vw 2000 volgt namelijk dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft kan worden uitgezet indien hij niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten. Dit betekent dat uitzetting pas mogelijk is nadat de vertrektermijn is verstreken, dus na 13 maart 2025. Eiser kon dan ook nog niet op 13 maart 2025 in bewaring worden gesteld. Dit betekent dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is omdat er geen zicht op uitzetting bestond.
Conclusie
3. Het beroep is gegrond, omdat deze maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 23 april 2025. De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor 42 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel 42 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 4.200,-.
4. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-). Er kan geen punt worden toegekend voor het instellen van het beroep, omdat sprake is van een kennisgeving door de minister en de gronden van beroep voor het eerst ter zitting naar voren zijn gebracht.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 23 april 2025;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579.
ABRvS 15 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK1638.
Zie ABRvS 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, r.o.. 12.1.