Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:7062
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
970 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43471
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: H.Q. van der Zaan).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die ertoe strekt dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.
1.1.
Met het besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 EVRM’ afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
Beoordeling
Over het griffierecht
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De voorzieningenrechter stelt op basis van de bij het verzoek overgelegde eigen verklaring over de afwezigheid van vermogen en inkomen vast dat verzoeker aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Over het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan onder meer als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De minister heeft in een brief van 18 maart 2025 laten weten dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
5. Nu partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
verbiedt de minister verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 april 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.