Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:7060
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,016 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7808
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Palestijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004.
Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. De rechtbank beantwoordt allereerst de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Uit het dossier blijkt dat eiser zich na zijn vrijlating uit de Penitentiaire Inrichting (PI) op 1 maart 2025 niet meer heeft gemeld bij de minister of zijn opvanglocatie.
2. De griffier van de rechtbank heeft aan de gemachtigde van eiser om inlichtingen gevraagd over de verblijfplaats van eiser en of de gemachtigde nog contact onderhoudt met eiser over het verdere verloop van de procedure. Uit die inlichtingen volgt dat gemachtigde en eiser geen contact meer met elkaar hebben gehad nadat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken na de vrijlating uit de PI op 1 maart 2025.
3. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662) volgt dat een vreemdeling die MOB vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, procesbelang heeft als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. De rechtbank stelt vast dat uit de inlichtingen van de gemachtigde blijkt dat eiser na de MOB-melding geen contact meer heeft gehad met zijn gemachtigde. Nu eiser geen contact heeft met zijn gemachtigde over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt, valt niet in te zien dat eiser een rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd.
5. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2025 door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
08 april 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: