Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:7025
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,104 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/6223 en NL25.12543
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2025 in de zaken tussen
[naam] eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Sierra Leoonse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
evenals
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 1 maart 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser vanaf 1 maart 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 17 maart 2025 gronden ingediend. Het COa heeft op 9 april 2025 een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
2. Het COa heeft – kort samengevat – eiser tegengeworpen dat hij op 31 januari 2025 eigendommen van zowel het COa als het hotel, waaronder magnetrons, warmhoudbakken, een glazen waterdispenser en een waterkoker, heeft vernield. Deze voorwerpen verspreidde hij over een afstand van ongeveer 100 meter over het COa-terrein. Dit gebeurde op meerdere momenten, waarbij eiser verschillende keren werd gezien met een stapel borden die hij op de grond gooide, waardoor in totaal ongeveer honderd borden kapot zijn gegaan. Daarnaast heeft eiser herhaaldelijk geprobeerd de hoofdingang van het hotel te betreden, die op slot zat, en heeft hij glas richting de hoofdingang gegooid. Daarnaast heeft eiser herhaaldelijk geprobeerd de hoofdingang van het hotel, die op slot zat, te betreden, en heeft hij glas richting de ingang gegooid. De receptie schakelde daarop met spoed de beveiliging in. Toen de beveiliging naar eiser toe ging, liep hij met een mes en vork op hen af, waarop de beveiligers zich terugtrokken. Toen de politie arriveerde, verzette eiser zich actief. Hij schreeuwde en zwaaide met zijn armen, waarop de politie uiteindelijk heeft ingegrepen met gebruik van een taser. Eiser is vervolgens aangehouden. Zowel het COa als het hotel hebben aangifte gedaan.
Beroepsgronden van eiser
3. Eiser betoogt dat het incident onterecht is gekwalificeerd als een gedraging met een grote dan wel zeer grote impact. Er was namelijk geen sprake van een directe bedreiging van personen. Er was enkel sprake van vernielingen, die niet op personen waren gericht en waarbij geen gewonden zijn gevallen. Het feit dat eiser een vork en mes vasthad, impliceert niet automatisch dat hiermee een directe bedreiging van een persoon is geuit. Daarnaast heeft eiser tijdens een bespreking op de HTL aangegeven spijt te hebben van de vernieling. Hij was op dat moment zeer emotioneel, omdat hij ruzie had met zijn verloofde.
3.1.
Verder merkt eiser op dat uit het plaatsingsbesluit blijkt dat het COa geen officiële locatieverbod verklaring had, en dat de politie daarom onterecht direct is ingeschakeld. De politie heeft ook aangegeven dat eiser niet kon worden aangehouden. Gelet op al het voorgaande had het COa aanleiding moeten zien om af te zien van de oplegging van het plaatsingsbesluit, en is ten onrechte geen lichter middel toegepast.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke beschrijving van het incident van 31 januari 2025, zoals opgenomen in het plaatsingsbesluit, niet heeft betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de weergave van de feiten zoals vermeld in de verslaglegging van het COa, en is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. Uit de verslaglegging blijkt dat eiser grootschalige vernielingen heeft aangebracht aan eigendommen van zowel het COa als het hotel, glas richting de hoofdingang heeft gegooid en vervolgens met een mes en vork op de beveiliging is afgelopen. Als gevolg daarvan zagen de beveiligers zich genoodzaakt zich terug te trekken. De politie heeft vervolgens moeten ingrijpen, waarbij gebruik is gemaakt van een taser. Gelet op de opeenvolging en ernst van deze gedragingen, heeft het COa deze terecht gekwalificeerd als agressie of geweld, met als doel de ander ernstig te bedreigen of ernstige schade toe te brengen. Dat eiser achteraf spijt heeft betuigd, doet aan de ernst van de gedragingen en de impact van het incident niet af. Dat de politie voorafgaand aan het incident onterecht is ingeschakeld en dat dit niet heeft geholpen aan de stemming van eiser, maar deze eerder heeft verergerd, rechtvaardigt ook op geen enkele wijze de gedragingen van eiser of de ernst van het incident.
4.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden, gelet op het Maatregelenbeleid, geen contra-indicatie betreffen voor het niet opleggen van het plaatsingsbesluit. Verder heeft eiser ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
4.2.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
5. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Conclusie
6. Het beroep tegen zowel het plaatsingsbesluit als de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond. Dat betekent dat beide besluiten in stand blijven. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, op 18 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
de griffier de rechter is buiten staat te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
Als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000.