Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:7020
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,321 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46549
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).
Inleiding
1. Bij primair besluit van 4 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (hierna: referente), afgewezen.
1.1.
In het bestreden besluit van 24 oktober 2024 is het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, referente en de gemachtigde van de minister.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 23 november 2023 heeft eiser een mvv-aanvraag ingediend met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam]’ (referente).
2.1.
In het primaire besluit van 4 juni 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen en daartoe, samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat er sprake is van exclusieve afhankelijkheid tussen eiser en referente en dat daarom geen reden is om aan te nemen dat sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in paragraaf B8/3.8.1. Vc.
2.2.
In de bestreden beschikking van 24 oktober 2024 is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen gronden van bezwaar heeft ingediend, ook niet na de gelegenheid te zijn geboden om dit gebrek te herstellen.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 2 juli 2024 tijdig een pro forma bezwaarschrift heeft ingediend tegen de afwijzende beschikking van 4 juni 2024. Aan eiser is op 10 juli 2024 een termijn van twee weken geboden om gronden van bezwaar in te dienen. Eiser heeft op 15 juli 2024 per email verzocht om uitstel voor het indienen van deze gronden. Op 23 juli 2024 – één dag voor het verstrijken van de door de minister geboden twee weken-termijn – heeft de minister eiser laten weten geen uitstel te verlenen. Eiser stelt vervolgens op 29 juli 2024, per gewone post, alsnog gronden van bezwaar te hebben ingediend. De minister stelt dat deze gronden niet zijn ontvangen.
3.2.
Het is algemene rechtspraak dat het aan de verzender van een poststuk is om de (tijdige) verzending aannemelijk te maken. In dit geval moet eiser de verzending dus aannemelijk maken. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gezegd dat zij de gronden van bezwaar per post heeft verstuurd, maar dat zij die verzending verder niet kan onderbouwen. Wat haar betreft is die verzending wel aannemelijk te achten omdat zij in dit dossier om uitstel heeft gevraagd en verweerder na de brief waarin het uitstel niet wordt verleend en voorafgaand aan de beslissing op het bezwaar niet nogmaals heeft laten weten dat er geen gronden waren ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat eiser de verzending van de gronden van bezwaar niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat eiser geen reden zou hebben om geen gronden van bezwaar in te dienen, dat eiser na de afwijzing van het verzoek om uitstel geen bericht heeft gehad dat zijn gronden niet ontvangen zijn, is onvoldoende voor een ander oordeel. Dat betekent ook dat de minister het bezwaar van eiser terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat de belangen van eiser en referente groot zijn, maakt dat niet anders.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dan wel diens ambtsvoorganger, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1277 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1485.