Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:6986
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,169 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13764
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: R. Hopman).
Procesverloop
De minister heeft op 2 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 februari 2025 (in de zaak NL25.7172) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring alleen de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
5. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat het onderzoek bij de Senegalese autoriteiten nog loopt. De minister rappelleert regelmatig bij de Senegalese autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp) ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 20 maart 2025. De Senegalese autoriteiten hebben niet kenbaar gemaakt geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Verder blijkt uit het systeem Eurodac dat eiser in het verleden een asielverzoek heeft gedaan in Ierland. De minister heeft daarom op 19 maart 2025 te kennen gegeven dat in het kader van een identiteitsonderzoek zo spoedig als mogelijk een actie zal worden uitgezet ter verkrijging van kopie identiteitsdocumenten van eiser en op 25 maart 2025 heeft de minister dit onderzoek gestart. Daarnaast heeft de minister op 17 maart 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser hieraan in voldoende mate invulling heeft gegeven. De rechtbank ziet in wat eiser nu heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de minister meer of andere handelingen had dienen te verrichten. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank het zicht op de uitzetting van eiser naar Senegal vooralsnog aanwezig en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 april 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.