Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:6937
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,944 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:6937 text/xml public 2026-03-20T13:37:52 2025-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-04-18 C/09/662324 / FA RK 24-1545 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:6937 text/html public 2025-04-29T14:36:00 2025-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:6937 Rechtbank Den Haag , 18-04-2025 / C/09/662324 / FA RK 24-1545 stiefouderadoptie Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-1545 Zaaknummer: C/09/662324 Datum beschikking: 18 april 2025 Adoptie Beschikking op het op 29 februari 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] , verzoekster, wonende te [woonplaats 1] , Filipijnen, advocaat: mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. B. Fresco te Rotterdam, [de vader] , de vader, wonende te [woonplaats 1] , Filipijnen, [kind 1] , hierna ook: [kind 1] , wonende te [woonplaats 1] , Filipijnen, [kind 2] , hierna ook: [kind 2] , wonende te [woonplaats 1] , Filipijnen. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 8 april 2024 van verzoekster, met bijlagen; - de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 8 oktober 2024, met als bijlage het rapport van de Raad van dezelfde datum met kenmerk SK-1-5W6U60M; - het verweerschrift; - de brief van verzoekster van 24 februari 2025, met bijlagen; - de brief van de moeder van 26 februari 2025, met bijlagen. Op 27 februari 2025 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster, de moeder en haar advocaat. Namens de Raad was [naam] aanwezig. Via een videoverbinding waren verzoekster, de vader en [kind 1] aanwezig. Verzoekster werd bijgestaan door een tolk, mevrouw Saman. Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen: - de brief van 18 maart 2025 van verzoekster, met bijlagen. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben voorafgaand aan de zitting in een gesprek met de kinderrechter via een videoverbinding hun mening gegeven. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot: Primair - adoptie door verzoekster van de kinderen: - [kind 1] , geboren op [geboortedag 1] 2004 [geboorteplaats 1] ; - [kind 2] , geboren op [geboortedag 2] 2006 te [geboorteplaats 1] ; - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 3] 2007 te [geboorteplaats 2] , Maleisië; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 4] 2009 te [geboorteplaats 2] , Maleisië. Subsidiair - adoptie door verzoekster van de kinderen: - [kind 2] , geboren op [geboortedag 2] 2006 te [geboorteplaats 1] ; - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 3] 2007 te [geboorteplaats 2] , Maleisië; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 4] 2009 te [geboorteplaats 2] , Maleisië. De vader ondersteunt het adoptieverzoek. De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij verzoekt het verzoek af te wijzen, kosten rechtens. Feiten De vader en de moeder zijn op [dag 1] 2004 te [plaats 1] gehuwd. Tijdens dit huwelijk zijn [kind 1] , [kind 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. Uit het uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) van de vader en moeder blijkt dat op 10 september 2008 de bijhouding in de BRP is opgeschort met reden “Emigratie” waarbij een adres in Maleisië is geregistreerd. Deze opschorting geldt nog steeds voor de vader. De moeder staat sinds 18 november 2014 weer met een adres in Nederland in de BRP geregistreerd. In 2011 zijn de vader en de moeder uit elkaar gegaan. Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, is op [dag 2] 2014 de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. De echtscheidingsbeschikking is op 15 april 2014 ingeschreven in het register van de burgerlijke stand. De vader en verzoekster zijn omstreeks september 2012 een relatie aangegaan. Zij zijn blijkens de overgelegde “akte van inschrijving van buitenlandse akte” op [dag 3] 2014 te [plaats 2] , [regio] , Filipijnen gehuwd. - De vader en verzoekster hebben samen een zoon van nu 9 jaar oud. Verzoekster heeft nog twee kinderen uit een eerdere relatie. De vader en verzoekster wonen met alle zeven kinderen in gezinsverband op de Filipijnen. - Op 8 augustus 2017 is “In the High Court of Malaya at Kuala Lumpur in the Federal Territory Malaysia Family Division” een beslissing, welke beslissing is gelegaliseerd, gegeven, inhoudende, voor zover hier van belang (Engelse vertaling): “(…) IT IS HEREBY ORDERED that:- 1) The Order of Court of Midden – Nederland, vide Case No. /Application No, C/16/364663/FA RA 14-1620 together with the “DIVORCE COVENANT” and the “PARENTING PLAN” annexed hereto be varied as follows:- (a) That sole Custody, Care, and Control, and Guardianship of [kind 1] (…), [kind 2] (…), [minderjarige 1] (…) and [minderjarige 2] (…) be given to the Plaintiff (lees: de vader) with reasonable access to the Defendant (lees: de moeder); (…) . Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de moeder in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van artikel 10:105, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is op een in Nederland uit te spreken adoptie, behoudens het tweede lid, het Nederlands recht van toepassing. Op grond van 10:105, tweede lid, BW is het Nederlands recht van toepassing op de toestemming dan wel de raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind. Bezwaar stukken Namens de moeder is bezwaar gemaakt tegen de op 20 februari 2025 namens verzoekster ingediende stukken. Zoals op de zitting besproken, gaat de rechtbank aan dit bezwaar voorbij. Namens de moeder zijn immers nadien, op 24 februari 2025, ook nadere stukken ingediend en de moeder en haar advocaat hebben op de zitting de gelegenheid gekregen en gebruikt om op de stukken van verzoekster te reageren. De moeder is derhalve niet in haar verdediging geschaad. Juridisch kader: adoptie De rechtbank moet beoordelen of is voldaan aan de gronden en voorwaarden als bepaald in de artikelen 1:227 en 1:228 BW, voor zover deze betrekking hebben op een stiefouderadoptie. Uit artikel 1:227 BW volgt – voor zover hier van belang – het volgende. Adoptie gebeurt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen samen of op verzoek van één persoon alleen. De adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel van de ouder is, kan alleen om adoptie verzoeken als hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. Het verzoek kan alleen worden toegewezen als de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden die zijn genoteerd in artikel 1:228 BW wordt voldaan. De voorwaarden genoteerd in artikel 1:228 eerste lid BW, die in dit geval van belang zijn, zijn: a.
Volledig
a) dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, als het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor geen bezwaren heeft tegen toewijzing van het verzoek; b) dat het kind geen kleinkind van de adoptant is; c) dat de adoptant ten minste achttien jaar ouder dan het kind is; d) dat geen van de ouders het verzoek tegenspreekt; f) dat de adoptant het kind gedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed wordt de periode van een jaar gerekend vanaf het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden; g) dat de ouder niet langer het gezag over het kind heeft. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft. In het tweede lid van dit artikel is opgenomen: Aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan: a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of b. indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster voldoet aan het in artikel 1:227 BW vermelde samenlevingsvereiste van drie jaar en dat aan de voorwaarden voor adoptie onder b), c), f) en g) uit artikel 1:228 BW is voldaan. De rechtbank overweegt in dit kader ten aanzien van de voorwaarde onder g) dat uit de Maleisische, gelegaliseerde, beslissing van 8 augustus 2017 volgt dat de moeder niet langer het gezag over de kinderen heeft. Nu de beslissing niet in een EU-lidstaat is gegeven en evenmin in een staat die partij is bij het HKBV 1996 noch de verordening Brussel IIter noch het HKBV 1961 dient de rechtbank eerst vast te stellen welk recht van toepassing is op de vraag of de Maleisische gezagsbeslissing voor erkenning in aanmerking komt. In dit geval dient te worden teruggevallen op het nationale internationaal privaatrecht om de erkenningsvraag te beantwoorden. De regel omtrent de erkenning is in het Nederlandse recht ongeschreven. Zij houdt in dat een beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt indien voldaan is aan vier cumulatieve vereisten: * de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de bevoegdheidsgronden uit de verordening Brussel IIter of het HKBV 1996); * de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM); * de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde; * de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de Maleisische beslissing aan alle vier de vereisten voldoet. De kinderen zijn met hun vader en verzoekster woonachtig in Maleisië zodat de bevoegdheid van de Maleisische rechtbank om te beslissen op het gezag berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Niet is gebleken dat aan deze beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan dan wel dat erkenning hiervan in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde. Verder is ook niet gebleken dat er sprake is van een tussen partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter dan wel van een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust. Het voorgaande betekent dat de beslissing van de Maleisische rechter waarin de vader uitsluitend met het gezag over de kinderen is belast in Nederland wordt erkend. Het geschil ten aanzien van de adoptie spitst zich toe op de voorwaarde genoemd in artikel 1:228 BW in onderdeel d): de tegenspraak van de moeder en ten aanzien van [kind 1] ook op de voorwaarde genoemd in onderdeel a): het minderjarigheidsvereiste. Advies Raad De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om – indien aan de formele vereisten van artikel 1:228 BW is voldaan of op juridische gronden aan voorbij kan worden gegaan – het verzoek van verzoekster tot adoptie toe te wijzen. De Raad acht het in het kennelijk belang van de kinderen dat zij worden geadopteerd. Verzoekster is sinds 2012 in het leven van de kinderen en zij wonen sinds 2014 onafgebroken met elkaar in gezinsverband. De kinderen zien verzoekster als hun moederfiguur en hebben een hechte emotionele band met haar. De kinderen hebben allemaal uitgesproken de wens te hebben om door haar te worden geadopteerd. Een adoptie sluit aan bij de feitelijke situatie waarin verzoekster al ruim tien jaar lang samen met de vader de zorg draagt voor de kinderen. Met betrekking tot de stiefouderadoptie heeft de Raad niet de verwachting dat het al dan niet uitspreken hiervan invloed heeft op het contact tussen de kinderen en de moeder in de toekomst of op de teleurstelling die de kinderen zeggen te hebben ervaren en het beeld dat zij van de moeder hebben. De Raad acht het niet aannemelijk dat de moeder in de toekomst nog in de hoedanigheid van ouder betrokken zal zijn in het leven van de kinderen. Volgens de Raad is enig contactherstel het hoogst haalbare. De Raad geeft hierbij aan dat de fysieke afstand en het grote verschil in beleving van wat er is gebeurd tussen de moeder en de rest van het gezin dit wel ingewikkeld maakt. De belevingen van de vader en de kinderen staan lijnrecht tegenover de belevingen van de moeder. Volgens de Raad zijn er ten aanzien van [kind 1] , die meerderjarig is, bijzondere omstandigheden aanwezig om voorbij te gaan aan het vereiste dat adoptie alleen gedurende de minderjarigheid van de adoptant kan plaatsvinden. Naar de visie van de Raad is het in dit kader van belang rekening te houden met de sterke gehechtheid van [kind 2] met haar zus [kind 1] . Naast het belang van [kind 1] heeft ook [kind 2] belang bij een gelijke behandeling van [kind 1] ten opzichte van de andere kinderen in het gezin. [kind 2] is vanwege haar beperking extra gehecht aan [kind 1] en zij is gebaat bij zekerheid van het verblijf van [kind 1] op de Filipijnen, aldus de Raad. De Raad heeft aangegeven het invoelbaar te achten dat de moeder van mening is dat zij met instemming van de adoptie de indruk wekt de kinderen af te wijzen. Zij heeft ook gezegd in het belang van de kinderen te willen handelen. Volgens de Raad is het in het belang van de kinderen dat zij worden geadopteerd door verzoekster. De Raad acht het voorstelbaar dat de rechtbank aan de tegenspraak van de moeder voorbijgaat. Het door de moeder gestelde belang bij de uitoefening van haar (veto)recht staat niet in verhouding tot de gevolgen daarvan voor de kinderen en hun belang bij adoptie. Is er sprake van tegenspraak zoals genoemd in artikel 1:228 lid 1 sub d BW? Verzoekster stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van tegenspraak in de zin van artikel 1:228 lid 1 sub d BW. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 1958, ECLI:NL:HR:1958:7. Volgens verzoekster moet de tegenspraak ten overstaan van de rechtbank worden gedaan.
Volledig
Zij is van mening dat op basis van de uitlatingen van de moeder op zitting niet kan worden opgemaakt dat zij ten overstaan van de rechtbank het verzoek tot adoptie daadwerkelijk tegenspreekt. De rechtbank stelt vast dat de moeder schriftelijk uitgebreid verweer heeft gevoerd tegen adoptie, zowel ten opzichte van de jongste kinderen als ten opzichte van – bij indiening van het verzoekschrift al meerderjarige – [kind 1] . In het verweer geeft de moeder aan niet in te kunnen stemmen met het verzoek tot adoptie, in het bijzonder niet omdat dit volgens haar een te verstrekkend middel is. Zij heeft in het verweerschrift tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd. Op de zitting heeft de moeder ook in persoon dit standpunt herhaald. Zij heeft verklaard: “ik heb nooit gezegd dat ik tegen adoptie per sé ben, maar de vraag is of dit strikt noodzakelijk is”. Zij “wil niet in de weg liggen”, maar vraagt zich af of adoptie hier het “juiste middel” is. In die zin is zij het niet eens met het verzoek tot adoptie en heeft zij zich aangesloten bij haar verweerschrift. Zij blijft erbij dat de rechtbank moet komen tot afwijzing van het verzoek. De rechtbank is van oordeel dat de uitlatingen van de moeder ten overstaan van de rechtbank – hoewel deze elkaar soms tegenspreken – moeten worden beschouwd als tegenspraak in de zin van artikel 1:228 lid 1 sub d BW. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het standpunt van verzoekster dat er geen sprake zou zijn van tegenspraak door de moeder ten overstaan van de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat niet aan de gronden genoemd in artikel 1:228 lid 2 onder a, b en c BW is voldaan om voorbij te gaan aan de tegenspraak van de moeder. Dan resteert de vraag of er in dit specifieke geval aanleiding bestaat om de tegenspraak van de moeder te passeren. Belang kinderen bij adoptie. Is er sprake van misbruik van bevoegdheid? Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van het op 1 april 1998 in werking getreden artikel 1:228 BW is naast de in het tweede lid genoemde gronden de mogelijkheid blijven bestaan om tegenspraak van de ouder te passeren op grond dat hij of zij van deze bevoegdheid misbruik maakt (artikel 3:13 in samenhang met artikel 3:15 BW). De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1487 en de daarbij behorende conclusie van de Advocaat-Generaal. Bij de beoordeling van de vraag of de moeder in deze zaak misbruik van haar vetorecht maakt, moet het volgende worden vooropgesteld. Het vetorecht is aan de moeder toegekend omdat adoptie door verzoekster het voor haar ingrijpende gevolg heeft dat de tussen haar en haar kinderen bestaande familierechtelijke betrekkingen worden beëindigd. Niettemin behoort de moeder bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van de kinderen zwaar te laten wegen. Van misbruik van bevoegdheid is echter slechts in uitzonderlijke gevallen sprake, gelet op het belang dat een ouder die de adoptie tegenspreekt heeft bij het in stand laten van diens juridische band met het kind. De rechtbank stelt vast dat de kinderen sinds 2014 samen door de vader en verzoekster worden opgevoed en dat zij sindsdien met elkaar in gezinsverband samenleven. Tot dit gezin behoren ook de twee kinderen uit een eerdere relatie van verzoekster en het kind dat is geboren uit de relatie tussen de vader en verzoekster. De kinderen hebben sinds eind 2014 nauwelijks meer contact met de moeder gehad. [kind 1] heeft op zitting verklaard dat zij door verzoekster wenst te worden geadopteerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben dit tijdens het gesprek met de kinderrechter eveneens verklaard. [kind 2] is vanwege haar syndroom van Down niet gehoord. Volgens de moeder is niet voldaan aan de voorwaarde dat het verzoek tot adoptie alleen kan worden toegewezen indien op het tijdstip van dat verzoek vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat de kinderen niets meer van haar in de hoedanigheid van ouder te verwachten hebben. Zij wil en kan nog steeds een rol in het leven van de kinderen spelen en de puur subjectieve beleving van een kind dat hij niets meer van een ouder te verwachten heeft is, hoe belangrijk ook, onvoldoende om objectief te kunnen constateren dat dit het geval is. Adoptie is volgens haar een scheidslijn, een formele rechtvaardiging naar de kinderen toe, dat de moeder niet meer bestaat. Volgens haar is dit niet in het belang van de kinderen en kan er geen sprake zijn van adoptie als er nog (minder ingrijpende) alternatieven zijn. In de visie van de moeder moet elke adoptie voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Op zitting heeft de moeder een en ander nogmaals benadrukt. Zij wil de huidige levens van de kinderen niet verstoren en wil ook niet riskeren dat zij hun leven in de Filipijnen niet zouden kunnen voortzetten, maar zij acht een adoptie een te verstrekkend middel. Volgens haar is door verzoekster niet aangetoond dat adoptie de enige of juiste oplossing is voor de door verzoekster gememoreerde vermeende verblijfsproblemen van de kinderen, voor zover de mogelijkheid tot adoptie überhaupt het geëigende middel is voor dit soort kwesties. Op zitting heeft de moeder aangegeven dat zij begrijpt dat ze niet nu ineens de rol van moeder kan spelen en dat zij begrijpt dat de kinderen verzoekster als moeder zien. Dit kan volgens haar echter naast elkaar bestaan. Zij wil graag het contact met de kinderen weer opbouwen. Uit de verklaringen van de moeder – die elkaar naar de indruk van de rechtbank soms tegenspreken – maakt de rechtbank op dat het belang van de moeder bij het tegenspreken van de adoptie voornamelijk is gelegen in het door haar gewenste contactherstel met de kinderen. De moeder heeft op zitting ook benadrukt niet per sé tegen een adoptie te zijn, maar dat zij zich afvraagt of er geen minder verstrekkende alternatieven zijn. De rechtbank begrijpt uit haar toelichting dat de moeder doelt op mogelijkheden om tegemoet te komen aan de gestelde verblijfsproblemen van de kinderen in de Filipijnen, omdat zij bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd volgens verzoekster en de vader niet langer een verblijfsvisum kunnen ontlenen aan hun vader. Verzoekster miskent hiermee dat het belang van de kinderen bij adoptie door verzoekster niet alleen is gelegen in de gestelde verblijfsproblemen. Voor de beoordeling door de rechtbank zijn die gestelde verblijfsproblemen ook niet doorslaggevend. De kinderen worden al ruim tien jaar door verzoekster verzorgd en opgevoed. Het belang van een kind om door de adoptant te worden geadopteerd neemt toe naar mate het kind door de adoptant langer is verzorgd en opgevoed (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 27 oktober 2000, NJ 2001, 104). Verzoekster, de vader en de kinderen leven al geruime tijd met de drie andere kinderen in gezinsverband samen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat dit gezinsverband ook juridisch kan worden bevestigd. Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat de kinderen niets meer van haar in de hoedanigheid van ouder hebben te verwachten. Het leven van de kinderen speelt zich al jaren af op de Filipijnen en uit de verklaringen van verzoekster, de vader en de kinderen blijkt dat het toekomstperspectief van het gezin in de Filipijnen ligt. Een adoptie van de kinderen zorgt voor bestendiging van de relatie met verzoekster en daarmee worden alle kinderen in het gezin juridisch gezien ook gelijkgesteld. Het sociale en maatschappelijke leven van de kinderen kan hiermee op de Filipijnen worden voortgezet. Dit zijn voor de kinderen zwaarwegende belangen bij adoptie door verzoekster. Daarbij komt dat de kinderen al langere tijd geen contact meer hebben met de moeder. Dat de moeder graag contact wil met de kinderen en dat er bij de kinderen wellicht behoefte zal zijn aan het herstel van contact, maakt niet dat geoordeeld kan worden dat er in de toekomst nog iets te verwachten is van de moeder in de hoedanigheid van ouder, dat wil zeggen het dragen van verantwoordelijkheid tegenover de kinderen (opvoeding, verzorging en het uitoefenen van het gezag).
Volledig
Een adoptie staat immers niet in de weg aan dit eventuele contact. Bovendien hebben de advocaat van verzoekster en de vader op de zitting aangegeven om contacten tussen de moeder en de kinderen die daaraan behoefte hebben te willen ondersteunen. Op basis van het voorgaande had de moeder gelet op de onevenredigheid tussen het door haar gestelde belang bij het uitoefenen van haar vetorecht – welk belang de rechtbank emotioneel gezien begrijpt – en het belang van de kinderen bij adoptie in redelijkheid niet tot uitoefening van dat recht kunnen komen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de moeder in dit uitzonderlijke geval misbruik heeft gemaakt van haar recht om het adoptieverzoek tegen te spreken. [kind 1] Een van de voorwaarden, vermeld in artikel 1:228 lid 1 aanhef en onder a BW, is dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is. De rechtbank stelt vast dat [kind 1] ten tijde van het verzoek ouder dan 18 jaar is. Er is daarom niet voldaan aan voornoemd vereiste van minderjarigheid, waardoor het verzoek tot adoptie in beginsel om die reden ten aanzien van [kind 1] moet worden afgewezen. Uit vaste rechtspraak volgt dat het weigeren van een adoptie onder zeer bijzondere omstandigheden desondanks zo’n inbreuk kan maken op het bestaande gezinsleven dat toch voorbij kan worden gegaan aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 aanhef en onder a BW. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van de adoptie vanwege enkel de meerderjarigheid bij de indiening van het verzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen (vergelijk de conclusie van A-G Vlas ECLI:NL:PHR:2013:BY5053 bij de uitspraak van de Hoge Raad van 25 januari 2013 ECLI:NL:HR:2013:BY5063). Een tweede aspect dat van belang is, is of de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar is. De staat maakt immers geen ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven als burgers zonder goede reden eindeloos wachten met het indienen van een verzoekschrift. Uit wat hierboven is overwogen, blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat de kinderen een zwaarwegend belang hebben bij een adoptie door verzoekster. Een afwijzing van dit verzoek voor [kind 1] , enkel vanwege haar meerderjarigheid, zal voor alle gezinsleden een ongeoorloofde inbreuk op hun familie- en gezinsleven opleveren zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Er zou dan een ongewenst onderscheid ontstaan tussen [kind 1] enerzijds en [kind 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de drie andere kinderen anderzijds. Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat gebleken is dat [kind 1] en [kind 2] een innige band hebben en dat het voor [kind 2] van extra belang is dat het gezinsleven met [kind 1] op gelijkwaardige wijze kan worden gecontinueerd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van artikel 1:228 lid 1 aanhef en onder a BW rechtvaardigen. De rechtbank acht de termijnoverschrijding voor de indiening van het verzoek verschoonbaar. Gebleken is dat bij het gezin pas ergens in 2023 of 2024 het besef is gekomen dat indien er onverhoopt met de vader iets gebeurt de kinderen juridisch gezien niet kunnen terugvallen op verzoekster, hetgeen tot gevolg kan hebben dat zij niet meer de zekerheid en de stabiliteit van een verblijf bij verzoekster op de Filipijnen hebben. Verzoekster heeft aangegeven dat zij met de kennis van nu al vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd van [kind 1] een verzoek tot adoptie zouden hebben ingediend. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het verzoek tot adoptie zal toewijzen. Geslachtsnaam Uit artikel 1:5 lid 3 BW volgt dat het uitgangspunt is dat indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van een ouder komt te staan het zijn geslachtsnaam houdt. Dit kan volgens lid 3 en lid 7 van dit artikel afwijkend zijn indien de ouder en diens echtgenoot anders verklaren, dan wel het kind van 16 jaar of ouder dit verklaart. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde verklaringen blijkt dat verzoekster en de vader ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verklaard dat zij na adoptie de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam] ” dragen. Uit de eigen verklaringen van [kind 1] en [kind 2] blijkt ook dat zij na de adoptie de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam] ” dragen. De rechtbank stelt voor alle kinderen dus vast dat zij van rechtswege hun huidige geslachtsnaam houden. Adoptiebeslissing op geboorteakte van de kinderen De rechtbank stelt vast dat [kind 1] en [kind 2] in Nederland zijn geboren en dat hun geboorteakten zijn ingeschreven in het daartoe bestemde geboorteregister van de burgerlijke stand. Uit de wet volgt, artikel 1:20 eerste lid onder a, BW, dat de ambtenaar aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toevoegt van rechterlijke uitspraken waarvan de dagtekening tenminste drie maanden oud is en die een adoptie inhouden. De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Maleisië zijn geboren. Gebleken is dat de geboorteakten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in Nederland zijn ingeschreven in het daartoe bestemde geboorteregister van de burgerlijke stand in ’s-Gravenhage. Artikel 1:25 eerste lid BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten van geboorte, huwelijksakten, akten van registratie van een partnerschap en akten van overlijden op bevel van het openbaar ministerie of op verzoek van een belanghebbende worden ingeschreven in de registers onderscheidenlijk van geboorten, van huwelijken, van geregistreerde partnerschappen en van overlijden van de gemeente ’s-Gravenhage, indien: a. de akte een persoon betreft die op het ogenblik van het verzoek Nederlander is of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat in geval van adoptie de rechtbank, die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de inschrijving van de in het eerste en het tweede lid bedoelde akte van geboorte gelast. Verzoekster heeft na de zitting de gelegaliseerde geboorteakten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overgelegd. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de ambtenaar in deze procedure te betrekken. De rechtbank zal de ambtenaar verzoeken zich uit te laten over de inschrijfbaarheid van de overgelegde Maleisische geboorteakten. Nu de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal zij haar beslissing over de adoptie nog niet in het dictum van deze beschikking opnemen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder ten aanzien van de proceskosten om dezelfde reden eveneens aanhouden. Beslissing De rechtbank: * bepaalt dat de griffier een kopie van de gelegaliseerde Maleisische geboorteakten die zien op de geboorte van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 3] 2007 te [geboorteplaats 2] , Maleisië, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 4] 2009 te [geboorteplaats 2] , Maleisië, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage stuurt; stelt de ambtenaar in de gelegenheid om zich binnen vier weken uit te laten over de inschrijfbaarheid van deze geboorteakten in het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage; * stelt verzoekster en de moeder in de gelegenheid, voor zover daarop prijs wordt gesteld, na indiening van de reactie van de ambtenaar binnen twee weken hierop een reactie te geven; * bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot adoptie wordt aangehouden tot 1 juni 2025 pro forma; houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de adoptie en de proceskosten aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.M. Vingerling, A.M. van der Vliet en M. Crooij-Heins, kinderrechters, bijgestaan door mr. M.T.E. Krijger-van Huut als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2025.