Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:693
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,470 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3008
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem over te dragen aan de Belgische autoriteiten op woensdag 22 januari 2025 om 11:00 uur.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en afkomstig te zijn uit Syrië. Hij heeft op 28 november 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat
België verantwoordelijk is voor deze aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat
eiser op 25 oktober 2024 in België om internationale bescherming heeft verzocht. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening de Belgische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek op 19 december 2024 geaccepteerd.
2. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort. Hij stelt, kort weergegeven, dat de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België niet voldoen aan de daar aan te stellen eisen. Volgens eiser is kenbaar dat de Belgische autoriteiten zich niet kunnen houden aan de Opvangrichtlijn en dat daarom niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hij wijst verder op de vragen die de Afdeling heeft gesteld over de opvangvoorzieningen in België.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is. Erkend wordt dat de opvangvoorzieningen in België problemen kennen, maar dit resulteert niet in een situatie zoals beschreven in het arrest Jawo. Verweerder wijst er daarbij op dat eiser zich bij voorkomende problemen dient te wenden tot de Belgische autoriteiten. Niet is gebleken dat deze zich onverschillig tonen voor de aanwezige opvangperikelen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ook in geval van een niet-kennelijke afdoening uitspraak doen zonder een zitting te houden wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Aangezien de overdracht van verzoeker gepland is op 22 januari 2025, heeft verzoeker een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
6. Gelet ook op de vragen die in hoger beroep bij de Afdeling zijn gesteld over de opvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers in België, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat het beroep geen kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe te wijzen en zal bepalen dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep (de zaak met nummer NL25.1704);
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907 (negenhonderdenzeven euro).
Deze uitspraak is gedaan op 21 januari 2025, door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Richtlijn 2013/33/EU.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
Algemene wet bestuursrecht.
In een drietal zaken (202404274/1, 202404286/1 en 202404292/1) en waarvan de zitting op 10 december 2024 heeft plaatsgevonden.