Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:6868
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,513 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18464
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 april 2025 aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem uit te zetten naar Nigeria op 22 april 2025 om 14:40 uur.
Verzoeker heeft daartegen op 18 april 2025 bij verweerder bezwaar gemaakt. Hij heeft verder op diezelfde dag de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om zijn uitzetting te voorkomen, totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder op 19 april 2025 ontvangen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft eerder, op 19 november 2019, een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is bij besluit van 21 februari 2020 in het kader van de Dublinverordening niet in behandeling genomen. Eiser is opgenomen in de nationale procedure en heeft op 7 oktober 2020 nogmaals een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 29 november 2021 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Op 6 november 2024 heeft eiser wederom een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is bij besluit van 12 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. De (hoger) beroepen van eiser hiertegen zijn ongegrond verklaard.
2. Verzoeker heeft op 17 april 2025 wederom een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit krachtens artikel 3.1 van de Vb van dezelfde dag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, Vw en overwogen dat er geen nieuwe relevante elementen of bevindingen zijn aangevoerd. Verder is door verweerder besloten dat de uitzetting van verzoeker niet achterwege wordt gelaten vanwege de door hem ingediende opvolgende asielaanvraag. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2016 dwingen het systeem van rechtsbescherming van de Vw, en het uitzonderlijke karakter van artikel 72, derde lid, ertoe dat een vreemdeling geen bezwaar kan maken tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting, als de in de Awb en hoofdstuk 7 van de Vw genoemde rechtsmiddelen om de rechtmatigheid van een besluit, waaruit de bevoegdheid tot feitelijke uitzetting voortvloeit, in rechte aan de orde te stellen, nog openstaan. In dit geval heeft verzoeker ook bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit krachtens artikel 3.1 van de Vb van 17 april 2025. Verzoeker kan dus geen bezwaar krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw maken tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting. De gronden die zien op het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting worden door de rechtbank dan ook gezien als (aanvullende) gronden in het verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het bezwaar tegen het besluit krachtens artikel 3.1 van de Vb.
3. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Beoordeling
5. Verzoeker voert aan dat de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag onzorgvuldig is voorbereid. Verzoeker zou ten onrechte rechtsbijstand zijn onthouden. Hij heeft namelijk zelf zijn asielaanvraag ingediend en hij is niet in de gelegenheid gesteld om door zijn gemachtigde voorbereid te worden op het gehoor. Verder is de gemachtigde ook niet op de hoogte gesteld hiervan. Verzoekers identiteit is, anders dan in de eerdere asielprocedures, vast komen te staan, zodat een nieuwe belangenafweging dient plaats te vinden. Verder heeft verweerder in de eerdere asielprocedure moeten doorvragen over de verklaringen van verzoeker ten aanzien van de mensenhandelaar. Verzoeker heeft namelijk een schuld van €30.000,- bij een mensenhandelaar. Hier heeft hij bij zijn eerdere asielprocedure over verklaard, maar is dit ten onrechte niet betrokken geweest bij de beoordeling van die asielaanvraag. Verzoeker vreest bij terugkeer naar Nigeria op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij kan verder niet de bescherming inroepen van de Nigeriaanse autoriteiten. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar een brief van VWN van 4 december 2024.
6. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van de uitzetting te vertragen of te verhinderen. Daarbij is het moment van 17 april 2025 waarop verzoeker zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt van belang. Op dat moment was hem al aangezegd dat hij op 22 april 2025 zou uitreizen naar Lagos, Nigeria.
7. Verder ziet de voorzieningenrechter in wat verzoeker aanvoert geen reden voor het oordeel dat verzoeker ten onrechte rechtsbijstand is onthouden. Zoals verweerder terecht opmerkt in het verweerschrift betreft dit een herhaalde asielaanvraag die vanuit bewaring is ingediend. Verder verklaart verzoeker in het gehoor opvolgende aanvraag van 17 april 2025 dat hij een paar dagen voor zijn uitzetting een asielaanvraag heeft ingediend, omdat hij onder meer bij zijn advocaat moest informeren over wat hij moet doen. Dat zijn gemachtigde dan ook niet op de hoogte zou zijn van zijn asielaanvraag wordt dan ook niet gevolgd. Daarnaast is de gemachtigde het voornemen, het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag als het bestreden besluit toegezonden.
8. Verweerder heeft zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat de opvolgende asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk kan worden verklaard, omdat verzoeker aan zijn aanvraag geen relevante nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd en dat ook tijdens het gehoor opvolgende aanvraag geen relevante nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen. Dat verzoekers identiteit, anders dan in de vorige asielprocedures, inmiddels vaststaat, maakt niet dat verweerder een nieuwe belangenafweging dient te maken. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de eerdere asielaanvraag niet slechts is afgewezen vanwege het ontbreken van de vaststelling van zijn identiteit, maar tevens omdat de door eiser gestelde homoseksuele geaardheid en daaruit voortvloeiende problemen door verweerder ongeloofwaardig is bevonden. Verder blijkt uit het gehoor opvolgende aanvraag dat verzoeker zich beroept op hetzelfde relaas als bij zijn eerdere asielaanvraag, namelijk zijn homoseksuele gerichtheid, waarvan de afwijzing in rechte vaststaat. Verzoeker heeft weliswaar eerst tijdens deze asielprocedure naar voren gebracht dat hij bij terugkeer naar Nigeria vreest voor de mensenhandelaar vanwege een schuld van €30.000,- en dat deze verklaringen nieuw zijn ten opzichte van zijn verklaringen in de eerdere asielprocedure. Maar verweerder heeft verzoeker evenwel terecht tegengeworpen dat van hem mocht worden verwacht dat hij deze gestelde problemen reeds in de eerdere asielprocedure naar voren had gebracht, zeker nu verzoeker daar in zijn eerdere asielprocedure al iets over heeft verklaard. Dat verweerder toen had moeten doorvragen, wordt niet gevolgd. Het is immers aan verzoeker om alle relevante elementen van zijn asielrelaas naar voren te brengen en deze ook te onderbouwen. Daarnaast blijkt niet dat verzoeker dit in de zienswijze of beroep in de eerdere asielprocedure alsnog naar voren heeft gebracht, zodat dit aan verzoeker kan worden tegengeworpen. Dat verzoeker bij terugkeer naar Nigeria vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken. De grond dat hij de bescherming van de Nigeriaanse autoriteiten niet kan inschakelen, treft dan ook geen doel.
9. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het bezwaar van verzoeker op dit moment geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet verder, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, uitgesproken op 19 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verzoeker op 19 april 2025 om 21:31 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 19 april 2025 om 21:32 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 12 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2089 en ABRvS 11 maart 2025, geregistreerd onder zaaknummers: 202501041/1/V2 en 202501041/2/V2 (niet gepubliceerd).
Op grond van artikel 3.1, tweede lid, onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ABRvS 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
VluchtelingenWerk Nederland.
Rapport gehoor opvolgende aanvraag van 17 april 2025, p. 3 van 4.