Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:6854
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,650 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46469
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. J. Visschers).
Inleiding
In het besluit van 6 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visschers.
Beoordeling
1. Eiser is geboren op [datum] 1974 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij heeft op 18 december 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Eiser stelt niet meer veilig te zijn in Iran omdat hij zich heeft bekeerd tot het Christendom.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiser afvallig is geworden van de Islam. Ook heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser is bekeerd tot het Christendom. Verder heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser vanwege zijn bekering problemen heeft gekregen met de SEPA (de Iraanse zedenpolitie) en dat aan hem in Iran afvalligheid wordt toegedicht. Gelet hierop komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een asielvergunning.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder zijn asielrelaas onvoldoende genuanceerd heeft beoordeeld. Door te spreken over afvalligheid van de Islam, heeft verweerder niet onderkend dat hij heeft verklaard nooit moslim te zijn geweest. Door te verwachten dat hij een moment van bekering benoemt, heeft verweerder niet onderkend dat hij heeft verklaard over een proces van bekering. Eiser betwist hierbij de tegenwerpingen van verweerder dat hij niet authentiek en te summier hierover heeft verklaard. Verder voert eiser aan dat zijn verklaringen over zijn kennis van het Christelijke geloof en over zijn kerkbezoek in Nederland ten onrechte onvoldoende zijn geacht. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser stukken van de [kerk] te [plaats] overgelegd. Tot slot voert eiser aan dat de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling verricht mogelijk in strijd is met het Europese recht, gelet op de prejudiciële vragen gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in de uitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136. Voor zover de rechtbank het beroep niet gegrond verklaart, verzoekt eiser daarom de zaak aan te houden totdat deze vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn beantwoord.
4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is en wordt nogmaals toegelicht waarom eisers verklaringen volgens hem tegenstrijdig en summier zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) moet ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal worden beoordeeld of een asielzoeker geloofwaardig kan worden geacht. Hoe verweerder daarbij sinds 1 juli 2024 omgaat met de in dat artikellid genoemde voorwaarden, is uiteengezet in de openbare werkinstructie 2024/6. Daarnaast hanteert verweerder de openbare werkinstructie 2022/3 bij het beoordelen van afvalligheid en bekering als asielmotief. Kort weergegeven gaat deze werkinstructie ervan uit dat er geen standaardantwoord te geven is op de vraag hoe afvalligheid en bekering verloopt, maar dat er een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet worden verricht aan de hand van alle door de individuele asielzoeker afgelegde verklaringen, de persoonlijke omstandigheden en achtergrond, en andere informatie in het dossier zoals verklaringen van derden.
6. Toetsing van een geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder door de rechter heeft een gemengd karakter. Bij de meeste aspecten kan zonder terughoudendheid worden getoetst of verweerder zijn standpunt terecht heeft ingenomen. Bij de toetsing van niet met bewijs gestaafde verklaringen moet echter enigszins terughoudend worden getoetst of verweerder dat niet ten onrechte heeft gedaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn geloof in de Islam en daarmee over zijn religieuze uitgangspositie. Volgens verweerder heeft eiser namelijk enerzijds verklaard dat hij nooit moslim is geweest, maar anderzijds dat hij wel in een God geloofde en erachter kwam dat de Islam niet de juiste religie voor hem was. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom eisers verklaringen over het geloof in een God en het benoemen van een aantal concrete redenen waarom hij geen positieve mening had over de Islam volgens hem tegenstrijdig zijn aan de verklaringen dat hij zichzelf nooit als moslim heeft gezien. Het een hoeft het ander namelijk geenszins uit te sluiten. Deze tegenwerping is dan ook onvoldoende gemotiveerd.
8. Daarnaast heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij niet goed kan toelichten waarom hij het moment van veertien tot vijftien maanden vóór het nader gehoor benoemt als zijn moment van bekering tot het Christendom. Gelet op de rapporten van het nader gehoor van 21 februari 2023 en het aanvullend gehoor van 2 mei 2023, volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat hij steeds heeft verklaard over een proces van bekering dat niet op één specifiek moment heeft plaatsgevonden. Ook deze tegenwerping is dan ook niet goed gemotiveerd. Hierbij hecht de rechtbank eraan op te merken dat volgens de werkinstructie 2022/3 ook de situatie dat een vreemdeling is opgegroeid met een bepaald geloof waarvan hij zelf nooit overtuigd was en waarover hij negatieve opvattingen heeft ontwikkeld kan worden aangemerkt als afvalligheid, maar dat afvalligheid pas als een apart asielmotief moet worden beoordeeld als de motieven voor en het moment van afvalligheid en van een latere bekering tot een andere geloofsovertuiging duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn.
9. Op het punt van de gestelde bekering tot het Christendom werpt verweerder verder aan eiser tegen dat hij te algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard over wat hem aanspreekt in het Christendom. Volgens verweerder heeft eiser verklaard over de wonderen van Jezus Christus, over zelfopoffering door Jezus Christus en over het vinden van liefde, rust en vertrouwen in het Christendom, maar zijn deze verklaringen oppervlakkig en kan hij deze niet persoonlijk maken. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat hij, gelet op de hiervoor aangehaalde gehoorverslagen, niet enkel deze begrippen heeft benoemd, maar ook heeft verklaard welk persoonlijk proces hij heeft doorgemaakt naar aanleiding van de kennismaking met zijn vriend [naam 2] , welk onderzoek hij vervolgens gedurende anderhalf tot twee jaar bij zichzelf is begonnen, welk besef dit bij hem heeft losgemaakt en welke gevolgen dit heeft gehad voor zijn persoonlijk leven. Door dit niet kenbaar in de beoordeling te betrekken, heeft verweerder ook deze tegenwerping onvoldoende gemotiveerd.
10. Verder heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij enerzijds enige kennis heeft van het Christendom, maar dat hij anderzijds bij vervolgvragen niet veel weet te vertellen. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat deze vervolgvragen gaan over rituelen binnen het katholicisme, terwijl eiser heeft verklaard een protestantse kerk te bezoeken en ook overigens in enige mate weet te verklaren over de verschillen tussen de Christelijke stromingen, over de rituelen binnen het protestantisme en over de Bijbel. Gelet hierop heeft verweerder de tegenwerping dat eiser onvoldoende kennis heeft van het Christelijke geloof niet deugdelijk gemotiveerd. Ook volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat zijn verklaringen dat hij in januari 2023 de [kerk] is gaan bezoeken, en dat hij ten tijde van het gehoor op 21 februari 2023 één of twee keer naar een kerkdienst is geweest, niet aan elkaar tegenstrijdig zijn. Verweerder heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiser wisselend zou hebben verklaard over zijn kerkbezoek in Nederland.
11. Bij zijn zienswijze van 24 oktober 2023 op het voornemen van verweerder tot afwijzing van de asielaanvraag, heeft eiser een brief van de [kerk] van 19 oktober 2023 overgelegd.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 (achttienhonderdveertien euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.