Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:6747
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,898 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25974
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1
Verweerder heeft de aanvraag voor het visum kort verblijf met het besluit van 10 oktober 2023 (primaire besluit) afgewezen.
1.2
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en vervolgens beroep wegens niet tijdig beslissen op dit bezwaar ingediend bij de rechtbank.
1.3
Met het bestreden besluit van 8 juli 2024 heeft verweerder op het bezwaar van eiseres beslist en is zij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.4
Eiseres heeft het beroep niet tijdig beslissen gehandhaafd en aanvullende beroepsgronden ingediend tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent dhr. [referent] , de gemachtigde van eiseres, T. Koc als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres wenst een visum kort verblijf om haar zoon, dhr. [referent] (referent) in Nederland te bezoeken. De aanvraag is afgewezen, omdat verweerder vindt dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook beschikt eiseres over onvoldoende middelen van bestaan en bestaat er twijfel over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Turkije. Na bezwaar zijn deze conclusies door verweerder gehandhaafd.
Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe in beroep de volgende gronden aan.
3.1
Ten eerste kan de weigeringsgrond van artikel 32, sub a en onder iii van de Visumcode (onvoldoende middelen van bestaan) niet worden gehandhaafd, nu het bestreden besluit op dit punt kennelijk een motivering mist.
3.2
Ook is ten onrechte geconcludeerd dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om tijdig terug te keren. Eiseres is geboren en getogen in Turkije, heeft daar een woning en stukken grond en al haar familieleden, behalve referent, wonen in Turkije. Van een geringe sociale en economische binding met Turkije is dan ook geen sprake. Het enkele feit dat eiseres geen zorg draagt voor familieleden in Turkije, maakt niet dat zij geen sociale binding heeft met Turkije. Familiecontacten onderhouden en familiebezoek zijn namelijk ook een vorm van sociale binding met Turkije en verweerder maakt hierbij onterecht onderscheid tussen alleenstaande en verzorgende familieleden. Daarbij verwacht eiseres binnenkort oma te worden en zij wil graag bij haar dochter en aanstaand kleinkind zijn in Turkije. Ten aanzien van de economische binding is ten onrechte tegengeworpen dat eiseres het bezit van een woning en stukken grond onvoldoende onderbouwd heeft. Ook indien eiseres een huurwoning heeft in Turkije heeft zij een belang om tijdig daarnaar terug te keren. De tegenwerping dat een woning en stukken grond ook door derden kunnen worden beheerd en dat een pensioenuitkering ook in het buitenland kan worden genoten is daarbij zodanig algemeen van aard dat dit de beoordeling van de economische binding volgens eiseres in essentie zinledig maakt. Alles bij elkaar gezien heeft eiseres haar economische en sociale binding met Turkije aannemelijk gemaakt en kunnen de weigeringsgronden geen stand houden.
3.3
Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet kunnen afzien van de hoorplicht. In bezwaar was voldoende aangevoerd dat maakt dat niet uitgegaan kon worden van een kennelijk ongegrond bezwaar. Met deze informatie was namelijk niet reeds op voorhand duidelijk dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden dan het primaire besluit, nu daaruit blijkt dat overduidelijk sprake is van sociale en economische banden van eiseres met Turkije. In dit kader verwijst eiseres ook naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter over de hoorplicht in reguliere vreemdelingenzaken.
3.4
Nu geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en verweerder ten onrechte heeft afgezien van de hoorplicht in bezwaar, dient verweerder in het opnieuw te nemen besluit op bezwaar alsnog een bestuurlijke dwangsom toe te kennen, nu erkend is dat de ingebrekestelling terecht is en dat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. De tegenwerping van artikel 4:17, zesde lid van de Awb is daarmee komen te vervallen.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Beroep niet tijdig beslissen
5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat een dergelijk beroep kan worden ingesteld, moet deze belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat het in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Als er twee weken na de ingebrekestelling nog steeds geen besluit is genomen door het bestuursorgaan, dan kan de betrokkene beroep wegens niet tijdig beslissen instellen bij de rechtbank.
5.1
Het beroep niet tijdig beslissen is in beginsel terecht en conform geldende termijnen ingesteld. Nu verweerder bij het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist, betekent dit volgens vaste rechtspraak dat eiseres op dit moment geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep niet tijdig beslissen. Vanwege het ontbreken van procesbelang is het beroep in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.
5.2
Aangezien verweerder eerst na overschrijding van de geldende beslistermijn en naar aanleiding van dit beroep niet tijdig beslissen een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 907,- per punt, wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Toetsingskader visum kort verblijf
6. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode genoemde weigeringsgronden ieder afzonderlijk voldoende zijn om een aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen. Uit voornoemd artikel, aanhef en onder b, volgt dat een visum kan worden geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager (in dit geval eiseres) om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Deze weigeringsgrond wordt ook wel aangeduid als het zogenaamde vestigingsrisico. Bij beoordeling van de vraag of een vestigingsrisico aannemelijk is, mag verweerder het criterium van sociale en economische binding hanteren. Bij het onderzoek of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager van het visum tot tijdige terugkeer, komt verweerder - volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - een ruime beoordelingsruimte toe. De bestuursrechter kan de conclusies van verweerder over de toepasselijkheid van deze weigeringsgronden daarom slechts terughoudend toetsen.
Weigeringsgronden visum
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres haar sociale en economische binding met Turkije onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
7.1
Zo heeft verweerder in het kader van de sociale binding aan eiseres mogen tegenwerpen dat zij alleenstaand is, dat zij geen zorgtaken draagt voor haar familieleden in Turkije en dat zij ook niet anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege zwaarwegende sociale of maatschappelijke verplichtingen genoodzaakt is om tijdig terug te keren naar Turkije. De stelling van eiseres dat zij contact met familieleden in Turkije wil onderhouden door familiebezoek en dat zij bij haar dochter in Turkije aanwezig wil zijn als haar kleinkind geboren wordt is onvoldoende om een dringende noodzaak tot terugkeer aannemelijk te achten. Verweerder heeft bij de beoordeling van sociale binding dan ook doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan het feit dat eiseres een alleenstaande weduwe is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dwingende sociale of familiale verplichtingen heeft in Turkije.
Conclusie
9. Het beroep, voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres, is niet-ontvankelijk, omdat inmiddels op het bezwaar van eiseres is beslist.
10. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond. Dat betekent dat verweerder in redelijkheid een visum kort verblijf aan eiseres heeft mogen weigeren.
11. Er bestaat in deze zaak aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt dit bedrag voor de behandeling van het beroep niet tijdig beslissen vast op € 453,50 en verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 5.2 van deze uitspraak. Verweerder dient dit bedrag over te maken aan de gemachtigde van eiseres.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het beroep, voor zover dat ziet op het niet tijdig beslissen op het bezwaar, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover dat ziet op het alsnog genomen besluit op bezwaar, ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zie artikel 6:2, aanhef en onder b, artikel 6:12, eerste en tweede lid, en artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Verordening 810/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009.
Zie het arrest Koushkaki tegen Duitsland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.