Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:6696
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,698 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6442
proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.J. Vroegindeweij),
en
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, het college
(gemachtigde: mr. A.C. van der Gugten).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde partij]
uit [woonplaats] , vergunninghouder.
Inleiding
Bij besluit van 1 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het splitsen van de woning op het adres [adres] in [plaats] .
Bij besluit van 28 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit, onder wijziging van de tekeningen, in stand gelaten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft aanvullende gronden ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2025. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, samen met [naam] .
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
draagt het college op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Overwegingen
1. Het gaat in deze zaak om een omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Eiser heeft toegelicht dat hij niet tegen de splitsing is. Hij is het alleen niet eens met de rechterdakkapel, die volgens hem te dicht op zijn eigen woning komt te staan. Eiser heeft aangevoerd dat dit een risico op lekkages met zich brengt en een onveilige situatie oplevert in verband met brandgevaar.
2. Deze beroepsgronden slagen niet. Het college heeft de bouw van de woning en de dakkapel getoetst aan de geldende eisen in het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) en zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat is beoordeeld dat wordt voldaan aan de regels uit het Bouwbesluit voor brandoverslag en -doorslag (artikelen 2.84 en 2.85). Hetgeen eiser daar tegenin heeft gebracht, geeft de rechtbank geen reden om daaraan te twijfelen. De rechtbank ziet ook geen reden om te twijfelen aan het standpunt dat op het gebied van lekkages wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Eiser heeft ook niet aangevoerd aan welke regels uit het bouwbesluit niet zou zijn voldaan. De rechtbank vindt ook onvoldoende onderbouwd dat de plek van de dakkapel zorgt voor een gerede kans op lekkages bij eiser. Dat het onderhoud aan de gevel wordt bemoeilijkt is verder geen reden om de vergunning te weigeren. Dit is namelijk een civiele kwestie tussen beide buren en daarover kan alleen de civiele rechter een oordeel geven.
3. Ten aanzien van de welstand bevat het bestreden besluit een gebrek. In de Welstandsnota Katwijk 2012 staat bij de objectgerichte criteria immers dat een afstand van 50 cm aan weerszijden van de dakkapel moet worden aangehouden. Daaraan wordt niet voldaan, aangezien de dakkapel op een kortere afstand van de perceelsgrens staat. Het college heeft op zitting gezegd dat daarmee rekening is gehouden en dat van die eis is afgeweken, maar dat ziet de rechtbank niet terug in het welstandsadvies. Op dit punt is het bestreden besluit daarom niet zorgvuldig voorbereid.
4. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering van de het welstandsadvies, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.
6. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7. De rechtbank wijst partijen erop dat, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en ook de rechtszekerheid van de andere partij, in het licht van de goede procesorde niet wordt aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren gebracht hadden kunnen worden.
8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025 door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.