Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:6672
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
924 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39213
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek zou op 10 april 2025 op zitting worden behandeld. Echter hebben partijen de voorzieningenrechter op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op 10 april 2025 gesloten.
Overwegingen
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De minister heeft in zijn brief van 8 april 2025 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift. Tevens verzoekt de minister de rechtbank in het dictum op te nemen dat verzoekster haar recht op opvang behoudt.
Nu partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoekster in deze fase behoort te worden afgezien en verzoekster haar recht op opvang behoudt, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten, met behoud van opvang, tot de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1).
5. Het verzoek van verzoekster tot vrijstelling van het griffierecht wordt toegewezen. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het griffierecht niet kan betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoekster uit Nederland te verwijderen, met behoud van opvang, totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 april 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.