Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:6670
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,371 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16867
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd, ingaande op 18 december 2024. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 17 april 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1981 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 december 2024. Vervolgens zijn er vervolgberoepen ingediend. Uit deze laatste uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 21 februari 2025, rechtmatig is.
4. In de gronden van beroep verzoekt eiser om een zitting, stelt hij dat het zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser zit al sinds 13 november 2024 in bewaring. Uit het voorgangsrapport volgt dat verweerder al op 16 februari 2024 de aanvraag voor een laissez-passer (lp) heeft verstuurd naar de Marokkaanse autoriteiten, dat verweerder maandelijks rappelleert, maar dat de Marokkaanse autoriteiten tot op heden nog niet hebben gereageerd. Er is geen sprake van een effectief lp-traject. Daarnaast stelt eiser dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring vanwege de psychische problemen van eiser.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn gronden van beroep (in de kern) hetzelfde heeft aangevoerd als in zijn laatste vervolgberoep. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft in haar uitspraak van 24 februari 2025 geoordeeld dat deze beroepsgronden niet slagen. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dat oordeel af te wijken. Zoals geoordeeld ontbreekt in het algemeen het zicht op uitzetting naar Marokko niet. Eiser heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht dan ten tijde van zijn vorige beroep. Het enkele gegeven dat sindsdien bijna twee maanden zijn verstreken is geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank overweegt in dat verband dat niet gebleken is dat de Marokkaanse autoriteiten de lp-aanvraag hebben afgewezen of niet zullen verstrekken. Verder werkt verweerder voldoende voortvarend aan eiser uitzetting. Verweerder heeft in de te beoordelen periode drie keer gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en twee keer een vertrekgesprek met eiser gevoerd en daarmee voldoende regelmatig uitzettingshandelingen verricht.
6. Verweerder heeft tot slot terecht geen lichter middel dan bewaring opgelegd. Eiser heeft ook nu niet onderbouwd dat zijn gestelde medische problemen verergeren door de bewaring of dat de bewaring onredelijk bezwarend is voor eiser.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 94, zevende lid, van de Vw.
ECLI:NL:RBDHA:2024:22060.
Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 24 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:823 en van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2781.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state van 14 november 2022: ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023: ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025: ECLI:NL:RVS:2025:219.