Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:6463
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,320 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14942
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Handelt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
1. Eiser betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen worden ondernomen om de uitzetting van eiser te realiseren. Hierdoor handelt de minister onvoldoende voortvarend.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de stukken met betrekking tot de uitzetting van eiser niet in het dossier zijn opgenomen, om gevaarlijke situaties te voorkomen. Eiser heeft twee keer eerder de uitzetting gefrustreerd door zichzelf pijn te doen. Eenmaal zelfs door scheermesjes in te slikken. Op de zitting heeft de minister aangegeven dat aan de uitzetting wordt gewerkt en toegelicht dat op 28 maart 2025 een aanvraag voor een vlucht is ingediend en dat op 31 maart 2025 een akkoord op deze aanvraag is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende heeft toegelicht dat hij voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel wordt opgelegd?
2. Eiser betoogt dat de minister onder de verzwaarde belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is opgelegd. Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de lange duur van de bewaring. Eiser zit namelijk al dertien maanden in bewaring en zijn belangen dienen zwaarder te wegen dan die van het algemeen belang. Dat eiser zijn eerdere uitzettingen heeft gefrustreerd mag niet tot gevolg hebben dat hij zo lang in bewaring wordt gehouden als nu het geval is.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel van inbewaringstelling voldoende gemotiveerd heeft dat in dit geval geen andere afdoende, maar dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft de geschiedenis van eiser en zijn (psychische) gezondheid voldoende betrokken bij de beoordeling van een lichter middel. Doordat de minister de volledige voorgeschiedenis en relevante data betrekt, blijkt dat de minister zich er rekenschap van heeft gegeven dat eiser al lange tijd in bewaring zit. Dat in de verzwaarde belangenafweging niet specifiek de duur van dertien maanden bewaring wordt genoemd doet daar niet aan af. Bovendien volgt uit paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat de minister na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, dient bij deze belangenafweging betrokken te worden. Buiten deze periode is een verzwaarde belangenafweging niet verplicht. De minister had dan ook niet specifiek in deze maatregel de duur van de inbewaringstelling hoeven betrekken. Desondanks heeft de minister wel een verzwaarde belangenafweging gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.