Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:6423
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,246 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5283
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. A. van der Linden en mr. A. Strooper).
Procesverloop
1. Eiseres heeft een inzageverzoek gedaan op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 april 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft verzocht om een kopie van haar dossier vanaf 2006. Ook heeft zij verzocht om inzage in en een kopie van alle stukken met betrekking tot de over haar ingediende klacht bij het Centraal Meldpunt Agressie (CMA) van de Belastingdienst. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat de informatie waar eiseres om vraagt volgens hem niet valt onder het toepassingsbereik van persoonsgegevens zoals bedoeld in de AVG. Op grond van de AVG heeft eiseres volgens verweerder ook geen recht op inzage in of kopieën van de stukken met betrekking tot de klacht die over haar is ingediend bij het CMA.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres wil graag volledige inzage in haar dossier, waaronder zowel de interne als externe correspondentie. Vanuit andere instanties kreeg zij wel zowel de interne als externe correspondentie toegezonden. Het is tegenstrijdig dat zij aan de ene kant wel ten onrechte persoonsgegevens van een andere burger krijgt, terwijl zij aan de andere kant haar eigen persoonsgegevens niet krijgt. Er is volgens eiseres sprake geweest van datalekken die niet juist zijn afgehandeld. Ter onderbouwing hiervan heeft zij stukken overgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure alleen gaat om het inzageverzoek op grond van de AVG. Eiseres wil vooral aan de orde stellen hoe verweerder omgaat met persoonsgegevens, onder meer omdat zij zelf geconfronteerd is met een onjuiste koppeling van haar persoonsgegevens. Maar daar gaat deze procedure niet over. Er wordt daarom niet toegekomen aan de gronden van eiseres die zien op datalekken.
5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet zoiets is als “het dossier” van eiseres. Op het fiscale dossier is de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing. Verder is het verzoek van eiseres te ongericht. Verweerder heeft toegelicht dat er heel veel applicaties zijn en dat hij niet in alle applicaties kan gaan kijken of er persoonsgegevens van eiseres in zijn geregistreerd. Er zijn volgens verweerder geen applicaties voor identiteitsfraude of datalekken. Verweerder mocht van eiseres verwachten dat zij haar inzageverzoek zou preciseren. Eiseres heeft dat niet gedaan. Verweerder heeft het inzageverzoek voor zover dat ziet op het dossier van eiseres daarom terecht afgewezen.
6. Verder heeft verweerder in beroep gesteld dat het dossier inzake de over eiseres ingediende klacht bij het CMA op verzoek van eiseres is vernietigd. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Eiseres kan dus geen inzage meer krijgen in dit dossier. De rechtbank komt daarom niet toe aan de gronden van eiseres die zien op de klacht bij het CMA.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.