Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:638
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,148 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47497
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
geboren op [geboortedatum] ,
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
Mede namens haar minderjarig kind:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Somalische nationaliteit,
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: R. Koning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (bestreden besluit). De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 november 2024 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met zaaknummer NL24.47498, op 20 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiseres is, met kennisgeving, niet verschenen. Eiseres is ook niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De rechtbank stelt vast dat Nederland op grond van de Dublinverordening bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan en dat Zwitserland dit verzoek heeft aanvaard.
4. De minister heeft op 15 januari 2025, onder verwijzing naar een schrijven van de Zwitserse autoriteiten van 9 december 2024, bericht dat eiseres en haar zoon op 21 oktober 2024 zijn teruggekeerd naar Zwitserland en dat eiseres daarmee zelfstandig uitvoering heeft gegeven aan de overdracht. De minister heeft daarom een verzoek gedaan om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang.
4.1.
De gemachtigde van eiseres heeft op 17 januari 2025 de rechtbank bericht dat eiseres niet is verschenen op een afspraak op haar kantoor ter voorbereiding van de zitting, dat er geen contact met eiseres meer is en dat voor haar onbekend is waar eiseres verblijft. De gemachtigde trekt het beroep niet in, omdat daartoe geen opdracht is gegeven door eiseres.
5. Nu de gemachtigde van eiseres heeft aangegeven dat zij geen contact meer heeft met eiseres en eiseres ook niet op zitting aanwezig was, is al daarom volgens vaste jurisprudentie de conclusie gerechtvaardigd dat eiseres kennelijk geen prijs meer stelt op een behandeling van haar beroep tegen het overdrachtsbesluit. Bovendien blijkt uit wat de minister naar voren heeft gebracht, dat eiseres al zelfstandig uitvoering heeft gegeven aan het overdrachtsbesluit.
5.1.
Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het procesbelang in deze zaak gedurende deze beroepsprocedure is weggevallen en zal de rechtbank het beroep niet ontvankelijk verklaren.
Conclusie
6. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres niet ontvankelijk. Om die reden is een verdere inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit niet aangewezen.
6.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen