Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:6317
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,595 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36692
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Luscuere),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Ulutas).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2. De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich op 21 februari 2025 afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
5. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1951 en heeft de Turkse nationaliteit. Sinds 12 maart 2013 beschikt zij over een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij partner’. Haar partner, tevens referent in deze procedure, is in 2001 als Turkse arbeidsmigrant toegelaten. Op 27 februari 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’.
6. De minister heeft deze aanvraag afgewezen om de volgende redenen. Ten eerste voldoet eiseres volgens de minister niet aan de voorwaarde dat zij duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt. Ten tweede komt eiseres volgens de minister niet in aanmerking voor vrijstelling van deze voorwaarde, omdat zij niet gedurende tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.i De minister heeft namelijk vastgesteld dat sprake is van een verblijfsgat tussen 12 maart 2019 en 7 mei 2019. Ten slotte kan eiseres volgens de minister geen rechten als gezinslid van een Turks werknemer ontlenen aan artikel 7 van Besluit nr. 1/80.ii Dit artikel vereist namelijk dat de Turkse werknemer drie jaar onafgebroken tot de legale arbeidsmarkt heeft behoordiii, wat bij haar partner niet het geval is. Daardoor heeft eiseres niet de veronderstelde status als gezinslid van een Turks werknemer gehad en evenmin heeft zij rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gehad, waardoor zij het verblijfsgat niet kan opvullen. Daarom komt eiseres niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning. De minister heeft eiseres haar verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij partner’ wel verlengd, omdat eiseres aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet.
Procesbelang
7. In de aanvullende beroepsgronden van 21 februari 2025 erkent eiseres dat haar partner niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 van Besluit nr. 1/80. Eiseres voldoet daarom ook niet aan de voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
8. In het verweerschrift van 27 februari 2025 heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang heeft bij de procedure. Daarbij verwijst de minister naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2019.iv Uit die uitspraak volgt dat een beroep slechts door de bestuursrechter kan worden behandeld wanneer de indiener een actueel en reëel belang heeft.
9. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van procesbelang, nu eiseres geen actueel en reëel belang heeft bij deze procedure. Immers, partijen zijn het erover eens dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor de door haar gevraagde vergunning. Het resultaat dat eiseres met het instellen van het beroep nastreeft, namelijk het alsnog verkrijgen van die vergunning, kan daarom niet daadwerkelijk worden bereikt en daardoor zal de uitkomst van deze procedure voor eiseres feitelijk geen betekenis hebben. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet gehouden uitspraak te doen uitsluitend vanwege het principiële karakter ervan. Eiseres heeft zelf te kennen gegeven dat zij geen inhoudelijk belang meer heeft bij haar procedure. Gelet op het voorgaande wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
10. Omdat er geen sprake is van procesbelang zal de rechtbank eiseres haar gronden ten aanzien van de hoorplicht en de (on)zorgvuldigheid van het besluit buiten bespreking laten.
Conclusie
11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
7 april 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
i Artikel 21, tweede lid, van de Vw.
ii Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad, die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.
iii Dit volgt uit paragraaf B10/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, onder ‘Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers’.
iv ECLI:NL:RVS:2019:186.