Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:6046
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,553 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12450
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 17 maart 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 april 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 7 januari 2025, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Ambtshalve wordt het volgende opgemerkt. De kennisgeving is ontvangen op 17 maart 2025. Volgens artikel 96, eerste lid, van de Vw sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank het vooronderzoek uiterlijk 24 maart 2025 had moeten sluiten. De rechtbank heeft het vooronderzoek echter pas op 10 april 2025 gesloten.
Op grond van artikel 96, tweede lid, van de Vw doet de rechtbank mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. Deze termijn kan niet worden verlengd. Gelet op het bovenstaande had de rechtbank dus uiterlijk 31 maart 2025 uitspraak moeten doen. Zij doet echter pas uitspraak op 11 april 2025.
6. Het overschrijden van de termijn leidt niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring. Er moet worden beoordeeld of is voldaan aan het vereiste van een spoedige beoordeling door een rechter als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM.
7. Vastgesteld wordt dat er tussen de ontvangst van de kennisgeving en het doen van de uitspraak een periode van 26 dagen zit. Daarnaast wordt meegewogen dat er geen zitting heeft plaatsgevonden, dat de zaak zowel qua aard als complexiteit relatief overzichtelijk is en dat de termijnoverschrijdingen geheel aan de rechtbank zijn te wijten. Er is daarom geen sprake geweest van een spoedige beoordeling in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Dit betekent dat het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf 1 april 2025 onrechtmatig is, nu de rechtbank uiterlijk op 31 maart 2025 uitspraak had moeten doen.
8. Tot slot leidt de ambtshalve toets van de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel van bewaring niet tot het oordeel dat sprake is van enige omstandigheid op grond waarvan het voortduren van de maatregel van bewaring eerder dan 1 april 2025 onrechtmatig was.
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag. Ook acht zij gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring (1 april 2025 – 11 april 2025). Deze vergoeding bedraagt 11 x € 100 (bij verblijf in het detentiecentrum) = € 1.100.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1)
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.100 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan op 11 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:175.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4867.