Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:6035
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,556 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14082
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 1 oktober 2024 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 28 juli 2024 tot 8 oktober 2024. Op grond van artikel 12, tweede en derde lid, van de Dublinverordening heeft Nederland op 12 december 2024 aan Frankrijk een verzoek om overname gedaan. De autoriteiten van Frankrijk hebben het verzoek op 12 februari 2025 op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk vaststaat.
3. Eiser voert aan dat verweerder niets in het claimverzoek heeft opgenomen over zijn echtgenote in de Verenigde Staten. Daarnaast wilt eiser niet terugkeren naar Frankrijk, omdat er voor hem te weinig opvang zal zijn en de procedure lang zal duren. Eiser wil alleen naar Frankrijk als de autoriteiten hem beloven dat zij hem zullen opvangen en naar een oplossing zullen zoeken, zodat hij ergens naartoe kan. De Franse autoriteiten zullen dit volgens eiser niet doen en verweerder heeft dit ook niet nagevraagd. Eiser meent dat zijn individuele omstandigheden voldoende zwaarwegend zijn om te concluderen dat terugkeer naar Frankrijk getuigt van een dermate onredelijke hardheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
5. Ten aanzien van het claimverzoek wordt overwogen dat verweerder alleen gehouden is om de informatie in het overnameverzoek te vermelden die de aangezochte lidstaat in staat stelt om te beoordelen of zij op grond van de in de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2017. De persoonlijke omstandigheden van eiser doen niet af aan de verantwoordelijkheidsbepaling. Verweerder had de gestelde omstandigheden dat eiser een echtgenote heeft in de Verenigde Staten dan ook niet hoeven op te nemen in het overnameverzoek. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het overnameverzoek aan Frankrijk onvolledig is geweest.
6. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Frankrijk mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit uitgangspunt wordt door de Afdeling bevestigd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, nu er een claimakkoord tot stand is gekomen, verweerder ervan uit mag gaan dat de Franse autoriteiten het asielverzoek van eiser in behandeling zullen nemen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Eisers stelling dat er in Frankrijk te weinig opvang zal zijn, heeft hij niet onderbouwd. Bovendien kan eiser zich wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten bij voorkomende problemen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
7. De wensen van eiser om niet terug te willen keren naar Frankrijk en snel naar zijn echtgenote te kunnen gaan, heeft verweerder in redelijkheid niet hoeven aanmerken als bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
8. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2017:2484.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863 en van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.