Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:6016
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
911 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13576
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. De minister heeft op 12 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 26 maart 2025 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser die dag is overgedragen aan Spanje.
1.3.
De gemachtigde heeft de rechtbank schriftelijk laten weten het beroep niet in te trekken, niet ter zitting aanwezig te zijn en verzocht om ambtshalve toetsing.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of op grond van artikel 106 van de Vw aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.
2.1.
In dit verband moet aan de hand van de beroepsgronden van eiser de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd. Eiser heeft alleen verzocht om ambtshalve toetsing. De rechtbank heeft eisers gemachtigde schriftelijk meegedeeld de zaak op zitting te behandelen en daarbij aangegeven dat tot dat moment gronden kunnen worden ingediend. Eiser heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
4. De rechtbank is van oordeel dat in een zaak als deze, waarbij de bewaring is opgeheven en van vrijheidsontneming geen sprake meer is, de rechtbank niet ambtshalve dient te toetsen. De rechtbank ziet daarvoor in de Vreemdelingenwet of het arrest C, B en X van het Hof van Justitie van 8 november 2022 geen grondslag of aanknopingspunten.
5. Nu eiser geen gronden heeft aangevoerd waarom volgens hem de bewaring onrechtmatig is geweest en aan hem schadevergoeding moet worden toegekend, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
Conclusie
6. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:EU:C:2022:858.