Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:6013
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
794 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14214
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K. Diender).
Inleiding
1. Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1.
Eiser heeft alleen beroep ingesteld tegen het inreisverbod.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. Eiser stelt dat hij ‘family life’ uitoefent in Europa. De minister heeft echter niet doorgevraagd naar de in Europa woonachtige familie van eiser en heeft daarmee volgens eiser de onderzoeksplicht en het verdedigingsbeginsel geschonden. Daarnaast heeft volgens eiser ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden in het kader van artikel 8 van het EVRM. Daarmee is ook het motiveringsbeginsel geschonden.
4. De rechtbank overweegt als volgt. De IND vaardigt geen inreisverbod uit als dit in het geval van de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft zijn beroep hierop niet concreet onderbouwd. De enkele stelling van eiser dat er nichten van hem in Frankrijk en een oom en een aantal neven in Italië wonen en dat zijn kind in Engeland woont, is in dit verband onvoldoende. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat de minister naar aanleiding van deze enkele verklaring een onderzoeksplicht had naar het bestaan van familie- of gezinsleven. De minister heeft terecht geen familie- of gezinsleven aangenomen en heeft dus ook terecht geen belangenafweging gemaakt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire A 2000.