Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:5978
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7232
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 3 januari 2024 voor de derde keer een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 februari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser wil samen met zijn [nationaliteit] partner, haar dochter en hun zoon samenleven in Nederland. Verder stelt eiser dat hij bij terugkeer naar Turkije nog steeds vreest voor de militaire dienstplicht en zijn problemen vanwege een eerwraakkwestie. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij niet leeft volgens de regels van de islam.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Dat eiser niet leeft volgens de regels van de islam.
De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat de gestelde problemen vanwege de eerwraakkwestie en de dienstplicht al in het eerste afwijzende asielbesluit van 30 december 2010 ongeloofwaardig zijn geacht. In onderhavige procedure heeft eiser volgens de minister geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij definitief wordt vervolgd of dat hij is veroordeeld. Verder heeft de minister er in het bestreden besluit op gewezen dat uit het AAB volgt dat het voor dienstplichtigen mogelijk is om op formele wijze de dienstplicht af te kopen. Tot slot heeft de minister in het bestreden besluit overwogen dat tijdens de eerdere procedures van eiser al een terugkeerbesluit en een inreisverbod zijn opgelegd, dat uit eisers aanvraag inhoudelijk niet blijkt dat het inreisverbod en het terugkeerbesluit onterecht zijn opgelegd en dat bij een herhaalde aanvraag niet ambtshalve wordt getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Als eiser een beroep wenst te doen op artikel 8 van het EVRM, dan kan eiser daar volgens de minister een aparte aanvraag voor indienen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond, dat het eerder opgelegde terugkeerbesluit en het inreisverbod nog steeds geldig zijn en dat er geen redenen zijn om die op te heffen.
Heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden met het gezinsleven van eiser?
5. Eiser stelt dat het handhaven van het terugkeerbesluit en het inreisverbod onvoldoende zijn gemotiveerd. Volgens eiser doet het geen recht aan het gezinsleven dat hij in Nederland heeft met zijn partner en hun kinderen. Eiser stelt dat de minister bij haar beslissing om het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod te handhaven, had moeten toetsen aan de artikelen 3 en 5 van het IVRK en aan artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser verzuimt de minister een inzichtelijke belangenafweging te maken waarbij de belangen van de kinderen een eerste overweging vormen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de arresten van het EHRM in de zaken Udeh tegen Zwitserland en M.P.E.V. e.a. tegen Zwitserland.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat bij een opvolgende asielaanvraag niet ambtshalve wordt getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Als eiser gezinsleven wenst met zijn partner en kinderen dan dient hij volgens de minister een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Bij de beoordeling van die aanvraag zal ook aan de artikelen 3 en 5 van het IVRK worden getoetst, aldus de gemachtigde van de minister.
5.2.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eiser de conclusie dat eisers asielmotieven niet tot vergunningverlening leiden niet heeft betwist. In geschil is of de minister bij haar besluit om het terugkeerbesluit en het inreisverbod te handhaven, had moeten betrekken dat eiser in Nederland gezinsleven uitoefent met zijn partner en hun kinderen.
5.3.
De minister is niet gehouden om bij een opvolgende asielaanvraag ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Dat volgt uit het bepaalde in artikel 3.6a, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank is verder niet gebleken dat de minister in een situatie als deze gehouden zou zijn om bij de beslissing om het reeds in rechte vaststaande terugkeerbesluit en inreisverbod te handhaven ambtshalve zou moeten toetsen aan de artikelen 3 en 5 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM. Een wettelijke basis daarvoor ontbreekt. In de verwijzing van eiser naar de arresten van het EHRM in de zaken Udeh tegen Zwitserland en M.P.E.V. e.a. tegen Zwitserland ziet de rechtbank evenmin aanknopingspunten voor die stelling. Anders dan in die zaken, is in het geval van eiser geen sprake van het beëindigen van een verblijfsrecht op grond van openbare orde aspecten. Van vergelijkbare zaken is derhalve reeds om die reden geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat als eiser familie- en gezinsleven met zijn partner en kinderen in Nederland wenst uit te oefenen hij een daartoe strekkende aanvraag kan doen, maar dat hij dat niet kan bereiken door het indienen van een opvolgende asielaanvraag. De beroepsgrond slaag niet.
Conclusie
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Algemeen ambtsbericht Turkije van 2023.
Familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens; het arrest Udeh tegen Zwitserland van 15 april 2013; 12020/09 en het arrest M.P.E.V. e.a. tegen Zwitserland van 8 juli 2014; 3910/13.