Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:5919
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
931 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51380
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de voor haar en haar drie kinderen ingediende aanvraag van 20 februari 2024 voor een mvv in het kader van nareis.
Met het besluit van 3 februari 2025 heeft de minister alsnog op de aanvraag beslist. De aanvraag is ingewilligd.
Eiseres heeft vervolgens de rechtbank bericht dat zij bereid is om het beroep in te trekken op het moment dat de minister de proceskosten en het betaalde griffierecht heeft voldaan. De rechtbank heeft daarop geen reactie vernomen van de minister. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beroep niet is ingetrokken.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de mvv-aanvraag van eiseres, dient te worden vastgesteld dat met inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiseres, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Op 20 december 2024 heeft eiseres haar beroep ingesteld. De termijn om te beslissen op de aanvraag was op dat moment verstreken. Eiseres heeft de minister ook rechtsgeldig in gebreke gesteld.
3. Omdat eiseres het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar mvv-aanvraag terecht heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast moet de minister op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent);
bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
machtiging tot voorlopig verblijf
Algemeen wet bestuursrecht