Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:5859
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
1,678 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/8878 en 25/907
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. V. Boender-Wiebenga).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V. uit Den Haag, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. M.H. Fleers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het beroep en op het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen aan vergunninghoudster voor het veranderen van de gevel van haar pand aan de [adres] in [plaats] door het plaatsen van een kozijn aan de achterzijde van de kelder en een koekoek in de achtertuin.
1.1.
Het college heeft met het besluit van 4 juli 2024 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. Met het besluit van 21 oktober 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 24/8878) en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 25/907).
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser 1] , de gemachtigde van het college en namens vergunninghoudster [naam] en de gemachtigde.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. Eisers voeren aan dat de bij de aanvraag behorende risicomatrix ontbrak, zodat het primaire besluit op onvoldoende informatie berust. Voorts is de risicomatrix volgens eisers onjuist en onvolledig, omdat daarin geen rekening is gehouden met de instabiliteit van de historische tuinmuur op de erfgrens van de percelen van eisers en vergunninghoudster. Deze stenen tuinmuur is meer dan 100 jaar oud, rust op een deels gebroken fundering en staat op minder dan 1,5 meter afstand van de beoogde graafwerkzaamheden.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van artikel 7.5c, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een aanvraag om een omgevingsvergunning vergezeld behoort te gaan van een risicomatrix. Ter zitting hebben eisers erkend dat er wel een risicomatrix is opgesteld en dat zij deze eind januari 2025 hebben ontvangen. Dat betekent dat, voor zover dit niet het geval was ten tijde van de aanvraag, dit gebrek inmiddels is hersteld. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet aannemelijk is dat eisers hierdoor benadeeld zijn.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers geen argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om de risicomatrix onjuist of onvolledig te achten. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de tuinmuur onderdeel zou moeten zijn van de op te stellen risicomatrix voor dit bouwplan. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevolgen van de graafwerkzaamheden voor de tuinmuur geen onderdeel zijn van het toetsingskader van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het gaat daarbij om feitelijk handelen bij de technische uitvoering van de werkzaamheden. Voordat met de bouw mag worden aangevangen, dient vergunninghoudster bovendien de gegevens over de technische uitvoering bij het college aanleveren, zodat daar toezicht op kan worden uitgeoefend.
6. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet aan de bouwregels van het Bbl is voldaan. De enkele vrees voor schade aan de tuinmuur en de fundering van de woning kan niet tot het oordeel leiden dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. Mocht tijdens de werkzaamheden schade worden veroorzaakt aan eigendom van eisers, dan is het verhalen hiervan een privaatrechtelijke kwestie. Dit is echter geen aspect dat aan vergunningverlening in de weg kan staan. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dat betekent dat het bestreden besluit standhoudt. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025 door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.