Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:5856
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,115 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7741
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. K. Jansen).
Inleiding
1. Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Daartegen heeft eiser beroep ingediend.
1.1.
Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
3. Blijkens het bestreden besluit is eiser op of omstreeks 12 januari 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat dit slechts anders is als de vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
3.1.
De rechtbank stelt het volgende vast. De gemachtigde van eiser heeft enkel aangegeven dat eiser zelfstandig naar Duitsland is vertrokken. Dit is niet bevestigd door de Duitse autoriteiten. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde nog contact heeft met eiser over de voortgang van onderhavige procedure of dat hij weet waar eiser precies verblijft. Evenmin is eiser verschenen op de zitting van 7 april 2025. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming in Nederland en op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. In lijn met vaste jurisprudentie is de rechtbank derhalve van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft.
Conclusie
4. Eiser heeft geen belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn onderhavige beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2025 door mr. H. de Ruijter, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
NL25.7742.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afdelingsuitspraak van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988.