Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:5846
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,754 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.9293 (beroep) en NL25.9294 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 februari 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2001 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort gezegd – het volgende aan. Ten eerste stelt eiser dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht in het voornemen, omdat gebruik is gemaakt van standaardoverwegingen. Daarnaast kan verweerder volgens eiser niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Dublinclaimanten worden wel degelijk slachtoffer van pushbacks, daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank te Zwolle. Eiser heeft slechte ervaringen overgehouden aan zijn tijd in Kroatië en vreest dat hij bij terugkeer wederom slecht zal worden behandeld. Eiser persisteert dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17 van de Dublinverordening. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Daarnaast vreest eiser voor refoulement.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft verweerder het besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd voorbereid?
6. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot stand gekomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
Eiser voert aan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen in het voornemen, waardoor de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden ten onrechte niet gemotiveerd betrokken zijn in het voornemen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Een voornemen is een voorbereidingshandeling en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat geen aanleiding wordt gezien de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 23 november 2023, waaruit afgeleid kan worden dat een standaardvoornemen in een dergelijke situatie wel aan de vereisten voldoet. Verder overweegt de rechtbank dat, hoewel de verklaringen van eiser in het voornemen niet kenbaar zijn betrokken, eiser in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit uitgebreid ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Verder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en wat ze in de zienswijze heeft aangevoerd. Tegen deze achtergrond slaagt het betoog van eiser niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt hangt af van de gegevens in de zaak.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië geen sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en dat Dublinclaimanten niet te vrezen hebben voor pushbacks. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich op goede gronden op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van deze jurisprudentie af te wijken. De uitspraak van de zittingsplaats Zwolle maakt dit oordeel niet anders. Deze uitspraak is immers niet gebaseerd op informatie die door de hoogste bestuursrechter niet is meegewogen in de uitspraak van 9 oktober 2024. Bovendien heeft de Afdeling haar uitspraak van 9 oktober 2024 nog bevestigd bij uitspraak van 5 november 2024.
7.2.
Ook het persoonlijke relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De enkele stelling dat eiser in Kroatië is mishandeld, is niet met (medische) documenten onderbouwd. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van eiser dat het niet realistisch is om van hem te verwachten bewijs te hebben van de slechte behandelingen die hij heeft ervaren in Kroatië. Weliswaar kan niet van eiser worden verlangd dat hij al zijn stellingen volledig met documenten kan onderbouwen, maar dit neemt niet weg dat het aan eiser is om zijn stellingen aannemelijk te maken. Op basis van de door eiser ingebrachte informatie kan niet worden geconcludeerd dat Kroatië zich niet aan zijn internationale verplichtingen tegenover asielzoekers houdt. Daarbij komt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen met de Kroatische asielprocedure, opvang, of anderszins, beklaagt bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Kroatische autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Had verweerder de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling moeten nemen?
8. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd, namelijk de behandeling in Kroatië, het trauma dat hij heeft opgelopen en/of zijn medische dan wel psychische problematiek, geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden betreffen dat deze maken dat zijn overdracht aan Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt waardoor verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd en zijn verklaringen zijn bovendien reeds betrokken bij de vraag of er voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter leidt ten opzichte van het voorgaande niet tot een ander oordeel.
Refoulement
9.
Conclusie
10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBOVE:2024:5401.
ECLI:NL:RVS:2025:717.
ECLI: RVS:2023:4348, r.o. 2.1.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2023:3411.
ECLI:NL:RVS:2024:4443.
Uitspraak van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.