Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:5844
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,635 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15326
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. De minister heeft bij besluit van 25 februari 2025 de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen. Verzoekster heeft daartegen beroep ingesteld, maar het beroep is buiten zitting ongegrond verklaard door de rechtbank bij uitspraak van 18 maart 2025. Verzoekster heeft tegen die uitspraak verzet gedaan en dit verzoek ingediend.
1.1.
De minister heeft op 4 april 2025 met een verweerschrift op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. De asielaanvraag van verzoekster is door de minister niet in behandeling genomen, omdat Polen volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Het beroep van verzoekster is door de rechtbank ongegrond verklaard. Kort gezegd heeft de rechtbank geoordeeld dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
2.1.
Op 31 maart 2025 heeft de minister aan verzoekster laten weten dat zij op 10 april 2025 zal worden overgedragen aan Polen. Verzoekster heeft daarop verzet gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank en daarbij dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend zodat zij in Nederland de uitkomst van de verzetzaak kan afwachten.
Wat vinden partijen?
3. Verzoekster wijst op een nieuwe wet die recent in Polen is aangenomen. Uit openbare bronnen blijkt dat er op 26 maart 2025 een wet is ondertekend waardoor het recht van migranten om asiel aan te vragen in Polen tijdelijk is opgeschort. Verzoekster wijst daarbij op een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waarbij het verzoek is toegewezen in verband met deze nieuwe wet.
3.1.
De minister stelt zich primair op het standpunt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening omdat een overdracht naar Polen geen onomkeerbare gevolgen heeft. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat het verzet van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en dat haar verzoek om een voorlopige voorziening daarom moet worden afgewezen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekster niet kan wachten op een beslissing op haar verzetschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft, omdat voor haar op 10 april 2025 een overdracht gepland staat naar Polen. De verwijzing van de minister naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter maakt dat oordeel niet anders. In die uitspraak heeft de hoogste bestuursrechter namelijk niet geoordeeld dat er geen spoedeisend belang was, maar de geplande overdracht betrokken bij zijn belangenafweging.
Belangenafweging
4.3.
De voorzieningenrechter beperkt zich in dit geval tot een belangenafweging. Gelet op de aard van deze (spoed)procedure en het feit dat sprake is van nieuwe informatie waarover partijen zich nog maar in beperkte mate hebben kunnen uitlaten, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een (voorlopig) inhoudelijk oordeel.
4.4.
De belangenafweging valt in het voordeel van verzoekster uit. Verzoekster heeft er belang bij dat zij de verzetprocedure in Nederland mag afwachten. Daarbij speelt mee dat verzoekster op nieuwe wetgeving heeft gewezen die mogelijk van invloed is op de uitkomst in haar verzetprocedure. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in overweging dat de overdrachtstermijn in beginsel pas op 8 juli 2025 verstrijkt. De mogelijkheid om verzoekster eventueel over te dragen, komt in die zin dan ook niet in gevaar door toewijzing van de gevraagde voorziening. Het belang van de minister om verzoekster nu al over te dragen, is onvoldoende om de afweging in het voordeel van de minister te laten uitvallen.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het verzet is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het verzet is beslist;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zaaknummer NL25.8948.
Zie artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zaaknummer NL25.1686.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5294.