Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:5753
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,314 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13612
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Kowsari).
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1992] .
Had de minister eerder toestemming moeten vragen aan het OM?
2. Eiser stelt dat de minister bekend is met de uitzettingsdatum, maar geen toestemming aan het Openbaar Ministerie (OM) heeft gevraagd om te vragen of er bezwaren zijn tegen de voorgenomen uitzetting. Uit het justitieel document blijkt dat eiser nog een lopende zaak heeft bij het OM. Daarnaast stelt eiser dat hij voor deze lopende zaak gedagvaard is en op 25 juli 2025 ter zitting moet verschijnen, wat maakt dat hij niet uitzetbaar is.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat al eerder, op 25 oktober 2024, toestemming is gevraagd aan het OM en dat nu weer toestemming gevraagd zal worden. Dit zal in ieder geval voor de geplande overdracht op 23 april gebeuren.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat de minister op 20 maart 2025 bekend is geworden met de uitzettingsdatum van de vreemdeling. De rechtbank stelt vast dat de minister op dezelfde dag bekend is geworden met het feit dat eiser nog een lopende strafzaak heeft bij het OM. Daarnaast blijkt uit het justitieel document van eiser dat hij is gedagvaard en dat er – in ieder geval op 20 maart – nog geen beslissing lag ten aanzien van dit feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld door tot op heden geen toestemming te vragen aan het OM voor de overdracht. De minister had na kennisneming van het justitieel document moeten controleren of kan worden voldaan aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000. Dit temeer nu eisers vlucht naar een later moment is verplaatst, maar eigenlijk al op 15 april 2025 gepland stond. Dit maakt de bewaring vanaf de oplegging daarvan onrechtmatig.
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 maart 2025.
5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 0 x € 130,- (verblijf politiecel) en 18 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1800,-.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 maart 2025;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak wordt bekendgemaakt op:
07 april 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.