Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:5621
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,632 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2625
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. O. Sarac),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer K. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van de minister.
1 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is een Turkse Koerd en is afkomstig uit een streng gelovige moslimfamilie. Een oom van eiser woont in Frankrijk en is daar betrokken bij de Ahmet Kaya-vereniging, een organisatie met banden met de HDP. Eiser vreest dat hij vanwege zijn link met die oom door de Turkse autoriteiten als terrorist wordt beschouwd en daarom bij terugkeer zal worden opgepakt. Ook vreest eiser bij terugkeer naar Turkije voor problemen in verband met zijn seksuele gerichtheid. Hij is biseksueel en heeft zijn eerste seksuele ervaring met een transseksueel gefilmd. Zijn vader en broer hebben dit filmpje onder ogen gekregen, waarna zij hem hebben uitgescholden en aangevallen. Eiser is daarna zijn ouderlijk huis ontvlucht. Eiser wordt als schande voor zijn familie beschouwd en vreest daarom bij terugkeer naar Turkije door zijn vader of broer te worden gedood. Verder vreest eiser ook voor discriminatie en uitsluiting door de Turkse autoriteiten en de maatschappij zowel in verband met zijn biseksualiteit als zijn Koerdische etniciteit.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
biseksualiteit en het incident met zijn vader en broer;
dat eiser wordt gezien als terrorist vanwege de link van zijn oom met de HDP.
5. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig gevonden. Ook de biseksualiteit en het incident met de vader en broer van eiser nadat zij het filmpje onder ogen kregen, vindt de minister geloofwaardig. Dat eiser wordt gezien als terrorist vanwege de link van zijn oom met de HDP acht de minister echter ongeloofwaardig. Hierbij heeft de minister van belang geacht dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat zijn oom gelinkt is aan de HDP. In openbare bronnen is hier evenmin iets over terug te vinden. Verder kan eiser hier zelf weinig over verklaren en zijn er ook overigens geen indicaties dat eiser door de Turkse autoriteiten gezien wordt als een terrorist. De minister wijst er in dit kader onder meer op dat eiser een paspoort heeft kunnen verkrijgen en daarmee op legale wijze Turkije heeft verlaten.
6. Op grond van de geloofwaardig bevonden motieven, namelijk zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn biseksualiteit en het incident met zijn vader en oom kan eiser volgens de minister niet worden aangemerkt als vluchteling2. Ook is op grond hiervan niet aannemelijk dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.3 Eiser heeft zijn vrees voor zijn familie vanwege zijn biseksualiteit niet aannemelijk gemaakt. Hierbij acht de minister van belang dat niet is gebleken dat zijn familie op zoek is naar eiser. Zo heeft eiser sinds zijn vertrek in juni 2022 niets meer van hen vernomen en is ook niet gebleken dat zij iemand uit de omgeving van eiser hebben benaderd. Ook komt eiser niet als gevolg van (mogelijke) discriminatie op grond van zijn biseksualiteit of Koerdische etniciteit in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wijst de minister erop dat discriminatie door de autoriteiten en door medeburgers alleen als daad van vervolging wordt aangemerkt als iemand hierdoor zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.4 Dit is bij eiser niet het geval, aldus de minister. Voor wat betreft de vrees voor discriminatie als gevolg van zijn seksuele geaardheid wijst de minister hierbij op landeninformatie5 waaruit blijkt dat eiser in Turkije weliswaar te maken kan krijgen met discriminatie vanwege zijn seksuele geaardheid maar dat het niet aannemelijk is dat dit zodanig zal zijn dat dit hem zal beperken in zijn bestaansmogelijkheden. Voor wat betreft de vrees voor discriminatie als gevolg van zijn Koerdische etniciteit wijst de minister erop dat eiser voor zijn vertrek uit Turkije heeft kunnen studeren, werken en niet is uitgesloten van medische zorg. Ook is, behalve een zware tijd in militaire dienst, verder niet gebleken van problemen in verband met zijn Koerdische etniciteit.
2 In de zin van het Vluchtelingenverdrag.
3 Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4 Zie het beleid als benoemd in C2/3.2.6 Vreemdelingecirculaire 2000 (Vc).
5 Het algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023.
7. Daarom komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
De geloofwaardigheid van de verklaringen ten aanzien van (de verdenking van) terrorisme
8. Eiser stelt dat de minister zijn vrees om als terrorist gezien te worden ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hij voert hiertoe aan dat niet van hem kan worden verwacht dat hij documenten met betrekking tot de link van zijn oom met de HDP overlegt. Hij heeft geen contact meer met zijn familie, zodat hij niet aan dergelijke documenten kan komen. Verder wijst hij erop dat een eventueel strafrechtelijk onderzoek in het geheim plaatsvindt zonder zichtbare registratie en dat een legaal vertrek hieraan niet in de weg hoeft te staan.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de vrees van eiser om als terrorist te worden gezien niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft zijn stelling dat hij vanwege de link van zijn oom met de HDP als een terrorist zal worden beschouwd niet onderbouwd met documenten. Daarom heeft de minister er niet ten onrechte op gewezen dat het in dat geval aan eiser is om zijn relaas hierover middels zijn verklaringen aannemelijk te maken.6 De minister heeft vervolgens de verklaringen van eiser op dit punt niet ten onrechte als ongeloofwaardig beoordeeld omdat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser zelf geen link heeft met de HDP, hij weinig kan vertellen over de link van zijn oom met de HDP, niet heeft onderbouwd dat zijn zware tijd tijdens dienstplicht te maken had met zijn oom en dat er daarbij ook geen andere indicaties zijn dat eiser wordt gezien als terrorist. Eiser heeft namelijk na zijn diensttijd nog negen maanden zonder problemen van de zijde van de autoriteiten in Turkije kunnen verblijven. Ook heeft eiser een paspoort kunnen verkrijgen en het land legaal verlaten. Eiser heeft deze omstandigheden in beroep niet betwist. De omstandigheid dat eiser in beroep een lidmaatschapskaart van zijn oom heeft overlegd, maakt hierbij niet dat er een andere geloofwaardigheidstoets had moeten plaatsvinden. Dit betreft immers enkel een lidmaatschapskaart van een Koerdische verenging in Frankrijk en onderbouwt niet de gestelde link van de oom van eiser met de HDP. De beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
6 Overeenkomstig Werkinstructie (WI) 2024/6.
Biseksualiteit
10. Eiser voert in beroep aan dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat hij zijn vrees voor zijn familie in verband met zijn biseksualiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij wijst in dit verband op de sterke eer- en schandecultuur in Turkije en op de omstandigheid dat de Turkse autoriteiten hier onvoldoende bescherming tegen bieden.
11. De rechtbank volgt eiser hierin niet en wijst erop dat het aan de vreemdeling is om zijn asielrelaas met op zijn persoon betrekking hebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. De enkele omstandigheid dat een gedraging als eerwraak in het land van herkomst voorkomt, is hiertoe onvoldoende. Dat eerwraak in zijn algemeenheid voorkomt in Turkije maakt immers niet dat daarmee ook aannemelijk is gemaakt dat dit ook eiser zal overkomen.
Conclusie
17. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 maart 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2625
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. O. Sarac),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer K. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van de minister.
1 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is een Turkse Koerd en is afkomstig uit een streng gelovige moslimfamilie. Een oom van eiser woont in Frankrijk en is daar betrokken bij de Ahmet Kaya-vereniging, een organisatie met banden met de HDP. Eiser vreest dat hij vanwege zijn link met die oom door de Turkse autoriteiten als terrorist wordt beschouwd en daarom bij terugkeer zal worden opgepakt. Ook vreest eiser bij terugkeer naar Turkije voor problemen in verband met zijn seksuele gerichtheid. Hij is biseksueel en heeft zijn eerste seksuele ervaring met een transseksueel gefilmd. Zijn vader en broer hebben dit filmpje onder ogen gekregen, waarna zij hem hebben uitgescholden en aangevallen. Eiser is daarna zijn ouderlijk huis ontvlucht. Eiser wordt als schande voor zijn familie beschouwd en vreest daarom bij terugkeer naar Turkije door zijn vader of broer te worden gedood. Verder vreest eiser ook voor discriminatie en uitsluiting door de Turkse autoriteiten en de maatschappij zowel in verband met zijn biseksualiteit als zijn Koerdische etniciteit.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
biseksualiteit en het incident met zijn vader en broer;
dat eiser wordt gezien als terrorist vanwege de link van zijn oom met de HDP.
5. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig gevonden. Ook de biseksualiteit en het incident met de vader en broer van eiser nadat zij het filmpje onder ogen kregen, vindt de minister geloofwaardig. Dat eiser wordt gezien als terrorist vanwege de link van zijn oom met de HDP acht de minister echter ongeloofwaardig. Hierbij heeft de minister van belang geacht dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat zijn oom gelinkt is aan de HDP. In openbare bronnen is hier evenmin iets over terug te vinden. Verder kan eiser hier zelf weinig over verklaren en zijn er ook overigens geen indicaties dat eiser door de Turkse autoriteiten gezien wordt als een terrorist. De minister wijst er in dit kader onder meer op dat eiser een paspoort heeft kunnen verkrijgen en daarmee op legale wijze Turkije heeft verlaten.
6. Op grond van de geloofwaardig bevonden motieven, namelijk zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn biseksualiteit en het incident met zijn vader en oom kan eiser volgens de minister niet worden aangemerkt als vluchteling2. Ook is op grond hiervan niet aannemelijk dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.3 Eiser heeft zijn vrees voor zijn familie vanwege zijn biseksualiteit niet aannemelijk gemaakt. Hierbij acht de minister van belang dat niet is gebleken dat zijn familie op zoek is naar eiser. Zo heeft eiser sinds zijn vertrek in juni 2022 niets meer van hen vernomen en is ook niet gebleken dat zij iemand uit de omgeving van eiser hebben benaderd. Ook komt eiser niet als gevolg van (mogelijke) discriminatie op grond van zijn biseksualiteit of Koerdische etniciteit in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wijst de minister erop dat discriminatie door de autoriteiten en door medeburgers alleen als daad van vervolging wordt aangemerkt als iemand hierdoor zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.4 Dit is bij eiser niet het geval, aldus de minister. Voor wat betreft de vrees voor discriminatie als gevolg van zijn seksuele geaardheid wijst de minister hierbij op landeninformatie5 waaruit blijkt dat eiser in Turkije weliswaar te maken kan krijgen met discriminatie vanwege zijn seksuele geaardheid maar dat het niet aannemelijk is dat dit zodanig zal zijn dat dit hem zal beperken in zijn bestaansmogelijkheden. Voor wat betreft de vrees voor discriminatie als gevolg van zijn Koerdische etniciteit wijst de minister erop dat eiser voor zijn vertrek uit Turkije heeft kunnen studeren, werken en niet is uitgesloten van medische zorg. Ook is, behalve een zware tijd in militaire dienst, verder niet gebleken van problemen in verband met zijn Koerdische etniciteit.
2 In de zin van het Vluchtelingenverdrag.
3 Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4 Zie het beleid als benoemd in C2/3.2.6 Vreemdelingecirculaire 2000 (Vc).
5 Het algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023.
7. Daarom komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
De geloofwaardigheid van de verklaringen ten aanzien van (de verdenking van) terrorisme
8. Eiser stelt dat de minister zijn vrees om als terrorist gezien te worden ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hij voert hiertoe aan dat niet van hem kan worden verwacht dat hij documenten met betrekking tot de link van zijn oom met de HDP overlegt. Hij heeft geen contact meer met zijn familie, zodat hij niet aan dergelijke documenten kan komen. Verder wijst hij erop dat een eventueel strafrechtelijk onderzoek in het geheim plaatsvindt zonder zichtbare registratie en dat een legaal vertrek hieraan niet in de weg hoeft te staan.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de vrees van eiser om als terrorist te worden gezien niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft zijn stelling dat hij vanwege de link van zijn oom met de HDP als een terrorist zal worden beschouwd niet onderbouwd met documenten. Daarom heeft de minister er niet ten onrechte op gewezen dat het in dat geval aan eiser is om zijn relaas hierover middels zijn verklaringen aannemelijk te maken.6 De minister heeft vervolgens de verklaringen van eiser op dit punt niet ten onrechte als ongeloofwaardig beoordeeld omdat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser zelf geen link heeft met de HDP, hij weinig kan vertellen over de link van zijn oom met de HDP, niet heeft onderbouwd dat zijn zware tijd tijdens dienstplicht te maken had met zijn oom en dat er daarbij ook geen andere indicaties zijn dat eiser wordt gezien als terrorist. Eiser heeft namelijk na zijn diensttijd nog negen maanden zonder problemen van de zijde van de autoriteiten in Turkije kunnen verblijven. Ook heeft eiser een paspoort kunnen verkrijgen en het land legaal verlaten. Eiser heeft deze omstandigheden in beroep niet betwist. De omstandigheid dat eiser in beroep een lidmaatschapskaart van zijn oom heeft overlegd, maakt hierbij niet dat er een andere geloofwaardigheidstoets had moeten plaatsvinden. Dit betreft immers enkel een lidmaatschapskaart van een Koerdische verenging in Frankrijk en onderbouwt niet de gestelde link van de oom van eiser met de HDP. De beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
6 Overeenkomstig Werkinstructie (WI) 2024/6.
Biseksualiteit
10. Eiser voert in beroep aan dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat hij zijn vrees voor zijn familie in verband met zijn biseksualiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij wijst in dit verband op de sterke eer- en schandecultuur in Turkije en op de omstandigheid dat de Turkse autoriteiten hier onvoldoende bescherming tegen bieden.
11. De rechtbank volgt eiser hierin niet en wijst erop dat het aan de vreemdeling is om zijn asielrelaas met op zijn persoon betrekking hebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. De enkele omstandigheid dat een gedraging als eerwraak in het land van herkomst voorkomt, is hiertoe onvoldoende. Dat eerwraak in zijn algemeenheid voorkomt in Turkije maakt immers niet dat daarmee ook aannemelijk is gemaakt dat dit ook eiser zal overkomen.
Conclusie
17. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 maart 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.