Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:5592
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,467 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13118
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 27 januari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. De oplegging van de maatregel van bewaring is getoetst bij de uitspraak van 18 februari 2025.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 maart 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting zal worden behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 18 februari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 11 februari 2025) rechtmatig is.
Handelt de minister voldoende voortvarend en ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat hij inmiddels ruim drie maanden in vreemdelingenbewaring verblijft en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Op 6 november 2024 is al een laissez-passer (lp) aangevraagd maar het is de minister nog niet gelukt om eiser uit te zetten. Ook heeft er nog geen presentatie bij de ambassade plaatsgevonden. Eiser betoogt dan ook dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Volgens eiser is niet gebleken dat de Tunesische autoriteiten zijn terugkeer willen accepteren.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Zolang nog niet op eisers asielaanvraag is beslist kan hij immers niet worden uitgezet. Hieruit volgt dat de minister bij een inbewaringstelling op grond van deze bepaling in de regel niet is gehouden voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt bovendien dat de minister sinds de uitspraak van 11 februari 2025 twee keer heeft gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten ten aanzien van zijn openstaande lp-aanvraag. Voor zover de minister bij een inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw 2000 al verplicht is om uitzettingshandelingen te verrichten, is dat voldoende voortvarend. Het feit dat eiser nog niet is gepresenteerd bij de ambassade, doet daar niet aan af.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser betoogt dat dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser wil graag naar een asielzoekerscentrum om daar zijn asielprocedure in vrijheid af te wachten. Eiser voert daarbij aan dat hij in de voortgangsrapportage niet kan afleiden welke handelingen worden verricht.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 2.1. van de uitspraak van 18 februari 2025 waaruit volgt dat uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd een onttrekkingsrisico volgt. Voor zover eiser met deze grond heeft beoogd te betogen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting verwijst de rechtbank terug naar rechtsoverweging 3.1.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2586.
Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Zie ABRvS 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552.
Zie ABRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553 en ABRvS 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2434.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.