Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:5313
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,909 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10593
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 5 maart 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Moldavische en Oekraïense nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1983. Eiser heeft op 10 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Portugal verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verweerder heeft op 27 januari 2025 een terugnameverzoek gestuurd aan de Portugese autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 10 februari 2025 aanvaard door Portugal.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, en stelt daartoe als volgt. Ten aanzien van Portugal kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Met overdracht naar Portugal loopt hij een reëel risico op (indirect) refoulement en daarmee op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest, omdat er sprake is van systeemfouten in de opvang- en asielprocedure. In dat verband wordt verwezen naar het AIDA Country Report van mei 2023 (update 2022). Ook verwijst eiser naar zijn persoonlijke ervaringen in Portugal. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar de actuele situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Portugal. Voorts beroept eiser zich op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft last van hartproblemen. Deze medische omstandigheid én de situatie in Portugal maken dat overdracht aan Portugal disproportioneel is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Portugal verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat eiser eerder een asielaanvraag in Portugal heeft ingediend.
5. Verweerder mag in beginsel ten opzichte van Portugal van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er dusdanige tekortkomingen zijn in het asiel- en opvangsysteem dat hier niet langer van uit kan worden gegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. De enkele, algemene, verwijzing naar het AIDA-rapport is onvoldoende om aan te nemen dat er in Portugal sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en dat eiser buiten zijn wil en keuzes terecht kan komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Eiser heeft in dat verband niet toegelicht dat de door hem gestelde problemen ook van toepassing zijn op Dublinclaimanten. Bovendien wordt vastgesteld dat op pagina 77 van het eerdergenoemde AIDA-rapport staat dat Dublinclaimanten in de praktijk geen relevante of systematische obstakels ondervinden bij de toegang tot de Portugese opvang- en asielprocedure. Met het aanvaarden van het terugnameverzoek hebben de Portugese autoriteiten bovendien gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Dit betekent ook dat als eiser bij overdracht geen opvang of geen toegang tot medische zorg zou krijgen, het op zijn weg ligt om daarover in Portugal te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast komt er geen betekenis toe aan eisers eerdere ervaringen in het verleden in Portugal. Eiser is immers nog niet eerder aan Portugal overgedragen als Dublinclaimant. De situatie die verweerder moet beoordelen is de situatie die te verwachten is tijdens en na de overdracht. Gelet op al het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten naar de omstandigheden in Portugal.
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
7. In de medische klachten die eiser aanvoert heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Eiser heeft namelijk niet met documenten onderbouwd dat sprake is van (lichamelijke) klachten. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. Voor zover eiser verwijst naar de omstandigheden en zijn ervaringen in Portugal, wordt overwogen dat deze al zijn beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder hoefde deze omstandigheden en ervaringen daarom niet opnieuw te beoordelen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
8. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU nr. 604/2014).
Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zoals bedoeld in de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, C-163/17.
Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.