Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:5287
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,238 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/314057-24 en 09/083844-24 (tul)
Datum uitspraak: 31 maart 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.C. Stolk en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L. Windhorst naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 30 september 2024 te Oegstgeest, in een woning gelegen aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meerdere kunstbloemen, althans een of meerdere goederen, ten gevolge waarvan een of meerdere kunstbloemen, en/of een of meerdere vazen en/of een (dressoir)kast, althans een of meerdere goederen in die woning, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand/gesmolten, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan,
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of de in die woning aanwezig zijnde goederen en/of de naastgelegen woningen en/of de in die naastgelegen woningen aanwezig zijnde goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor personen die zich bevonden in de naastgelegen woningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;
2
hij, op of omstreeks 30 september 2024 te Oegstgeest, in een woning gelegen aan de [adres 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan,
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of de in die woning aanwezig zijnde goederen en/of de naastgelegen woningen en/of de in die naastgelegen woningen aanwezig zijnde goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor personen die zich bevonden in de naastgelegen woningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was,
- ( met een aansteker) open vuur in aanraking heeft gebracht met een of meerdere kunstbloemen en/of
- ( vervolgens) in de woning is gebleven en/of
- door de woning heeft gelopen en/of
- heeft gezocht/gekeken naar andere objecten om in brand te steken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij, in of omstreeks de periode van 29 september 2024 tot en met 30 september 2024 te Oegstgeest en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, [naam] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [naam] middels e-mails en/of tekstberichten dreigend de woorden toe te voegen:
- " liter benzine kost maar paar euro he" en/of
- " ik ga rondje leide maken let op!!" en/of
- " ik bluis jullie allemaak op he, WAAR zijn mijn kinderen???" en/of
- " opschieten dit huis gaat in de brand wil je niet reageren ook goed ik ga nu weg let op"
- " kk hoertjes let op!!" en/of
- " volgende, ik ben nog lang niet klaar we gaan nu pas beginne",
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
4
hij, op of omstreeks 30 september 2024 te Oegstgeest, in de woning gelegen aan de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [naam] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde met uitzondering van de onderdelen van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 die zien op het gevaar voor lichamelijk letsel of levensgevaar.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 partieel dient te worden vrijgesproken van het gevaar voor lichamelijk letsel of levensgevaar.
3.3.
Vrijspraak
3.3.1.
Ten aanzien van het ten laste gelegde “levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen”
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat uit het dossier niet valt op te maken dat door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is geweest, en spreekt de verdachte daarom partieel vrij van deze onderdelen van de tenlastelegging.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2: poging tot brandstichting
De rechtbank overweegt dat hetzelfde feitencomplex onder feit 1 als voltooid delict en onder feit 2 als pogingsvariant ten laste is gelegd. Omdat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van het onder 1 ten laste gelegde feit (de voltooide brandstichting), zal zij de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit (de poging tot brandstichting) vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
3.4.1.
Ten aanzien van feiten 1, 3 en 4
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2024316866, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 124).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 maart 2025;
Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 30 september 2024 (p. 53-54 en de bijbehorende fotobladen p. 57-59);
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 september 2024 (p. 68-69 en de bijbehorende fotobladen p. 71-86);
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 oktober 2024 (p. 60 en de bijbehorende fotobladen p. 61-62);
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 30 september 2024 (p.
Beoordeling
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich aan drie strafbare feiten schuldig gemaakt, namelijk bedreiging, brandstichting en het wederrechtelijk binnendringen in een woning. Op 29 en 30 september 2024 heeft de verdachte zijn voormalige partner [naam] bedreigd door haar e-mails te sturen dat hij haar huis in de brand zal steken en dat hij haar zou opblazen. Op 30 september 2024 is de verdachte naar de woning van [naam] gegaan en is hij zonder toestemming haar woning binnengedrongen. Daar heeft hij meerdere kunstbloemen aangestoken met een aansteker, waardoor schade is ontstaan aan de goederen in de woning. De brand heeft [naam] veel overlast en hinder bezorgd en was daarnaast intimiderend. Door uitvoering te geven aan eerdere bedreigingen, heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [naam] en haar gevoel van veiligheid. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij met zijn handelen geheel voorbij is gegaan aan de gevoelens van [naam] , slechts oog heeft gehad voor zichzelf en slechts bezig is geweest met het uiten van zijn eigen gevoelens van frustratie en ongenoegen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 februari 2025. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van 24 januari 2025 van dr. L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog, en prof. dr. D.J. Vinkers, psychiater, waaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een hechtingsstoornis, een antisociale
persoonlijkheidsstoornis en misbruik van alcohol en een amfetamineachtig middel (in remissie in detentie). De deskundigen rapporteren dat tijdens de hem ten laste gelegde feiten de psychische stoornissen aanwezig waren en dat deze stoornissen zijn gedrag beïnvloedden. Ten gevolge van de gestoorde hechting in relatie met de gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis was de verdachte in onvoldoende mate in staat zich te verplaatsen in een ander en overzag hij in onvoldoende mate de gevolgen van zijn gedrag, mede door de copingstijl die hij hanteert. Het gebruik van verdovende middelen in zo een situatie heeft aan een verlaging van de impulscontrole bijgedragen. Gelet hierop wordt geadviseerd om de feiten in een enigszins verminderde mate aan hem toe te rekenen. De deskundigen hebben ingeschat dat het recidiverisico matig tot hoog is. Er wordt geadviseerd om als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel een klinische opname in een forensische verslavingskliniek, bijvoorbeeld de Piet Roordakliniek, op te leggen met verplichte nazorg. Mede gelet op de positieve houding van de verdachte geven de deskundigen voorkeur aan deze optie. Als de strafmodaliteit dit niet toestaat, dan zou kunnen worden gedacht aan het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 13 maart 2025 van GGZ Reclassering Fivoor, waarin staat dat sprake is van een hoog recidiverisico. Gelet op de ernst van de (psychische) problematiek van de verdachte en het hoge risico op recidive en letselschade biedt een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarde van een langdurige klinische opname volgens de reclassering onvoldoende waarborg voor behandeling. De verdachte heeft eerder onder parketnummer 09/083844-24 een langdurige (klinische) behandeling opgelegd gekregen in een forensisch kader, maar voordat deze opname gerealiseerd kon worden, werd de verdachte aangehouden voor onderhavige feiten. De reclassering adviseert daarom een tbs-maatregel met voorwaarden en oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). In het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden, acht de reclassering de volgende voorwaarden passend: geen strafbare feiten plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, opname in een zorginstelling, meewerken aan een time-out, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling, middelenverbod en meewerken aan middelencontrole, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind, reisverbod, contactverbod en een locatieverbod.
Conclusie
Nu de conclusies van de gedragsdeskundigen omtrent de psychische problematiek van de verdachte en de mate waarin die heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het tenlastegelegde, worden gedragen door hun bevindingen, maakt de rechtbank die conclusies tot de hare. Tegen die achtergrond zal de rechtbank het bewezen verklaarde in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Mede gelet hierop en op wat hiervoor is besproken acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank heeft bij de strafoplegging verder meegewogen de proceshouding van de verdachte en zijn positieve houding ten opzichte van de klinische behandelingen in de toekomst.
7De vordering tot tenuitvoerlegging
7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie wijzigt de vordering tot tenuitvoerlegging van 21 november 2024 – om de bij vonnis van de politierechter van 6 juni 2024 (met parketnummer: 09/083844-24) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden ten uitvoer te leggen – in die zin dat wordt gevorderd dat de proeftijd wordt verlengd met één jaar en dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden worden gewijzigd in die zin dat de voorwaarden – zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 13 maart 2025 – daaraan worden toegevoegd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de proeftijd met één jaar te verlengen, zodat genoeg tijd wordt geboden om het behandeltraject te voltooien.
7.3.
Beoordeling
De rechtbank acht het in het belang van de verdachte en de samenleving dat het lopende toezicht door de reclassering wordt voortgezet en dat de verdachte het behandeltraject bij de Piet Roordakliniek doorloopt. De verdachte staat daar, zo blijkt uit zijn verklaring op de zitting, positief tegenover en heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om die behandeling af te maken en zijn leven een positieve wending te geven. De rechtbank ziet in deze omstandigheden reden om de verdachte die kans te geven.
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met één (1) jaar. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de gestelde voorwaarden worden gewijzigd, in die zin dat als voorwaarden worden toegevoegd een locatieverbod en de voorwaarde dat de verdachte aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. De rechtbank handhaaft de andere in genoemd vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden. Voor toevoeging van een reisverbod, een time-out en een contactverbod met de aangeefster, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de ernst van de feiten en het ingeschatte recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom ziet de rechtbank bij verlenging van de proeftijd aanleiding om over te gaan tot het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de (gewijzigde) voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 57, 138, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting;
ten aanzien van feit 4:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 136 (honderdzesendertig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 6 juni 2024, gewezen onder parketnummer 09/083844-24, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met één jaar;
wijzigt de bij voornoemd vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden in die zin dat als voorwaarden worden toegevoegd dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Oegstgeest, zolang de reclassering en het openbaar ministerie dit noodzakelijk achten;
- gedurende de proeftijd aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
Geeft (opnieuw) opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
handhaaft de andere in genoemd vonnis (met parketnummer 09/083844-24) opgelegde bijzondere voorwaarden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. J. Snoeijer, rechter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2025.