Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:5127
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,660 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49058
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
V-nummer: [nummer] ,
Gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1.1.
Eisers hebben op 14 maart 2024 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in verband met verblijf bij minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit ingediend.
1.2.
Bij brief van 31 oktober 2024 hebben eisers de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvraag. Eisers hebben vervolgens op 9 december 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Voordat eisers een beroep kunnen indienen tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag, moeten eisers schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat er binnen twee weken alsnog moet worden beslist (de ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kunnen eisers beroep indienen.
3. Eisers hebben op 14 maart 2024 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Op grond van artikel 42, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de minister binnen zes maanden beslissen op de aanvraag. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eisers hebben daarna aan de minister laten weten dat zij alsnog binnen twee weken moet beslissen. De zogenoemde ingebrekestelling. Hierop heeft de minister geen besluit genomen, waarna eisers een beroep tegen het niet tijdig beslissen hebben ingediend.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. Als de minister niet op tijd heeft beslist, moet de rechtbank een termijn van twee weken opleggen. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank een andere termijn opleggen. De rechtbank is niet van bijzondere omstandigheden gebleken. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen twee weken een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?
7. Eisers hebben gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als de minister niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit neemt, moet de minister een bestuurlijke dwangsom aan eisers betalen. Omdat vanaf dat moment meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 1.442,-. Dat is het maximale bedrag.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister binnen twee weken een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd. De minister moet ook de maximale bestuurlijke dwangsom aan eisers betalen.
9. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
stelt de hoogte van de door de minister aan eisers verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,-;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb.
Artikel 4:17 van de Awb.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde/advocaat verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.