Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:4676
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6672
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers EU-verblijfsrecht beëindigd en bepaald dat verzoeker Nederland meteen moet verlaten. Daarnaast heeft verweerder verzoeker ongewenst verklaard.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 20 januari 2025 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft op 11 februari 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoeker heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, onder meer als het verzoek kennelijk ongegrond is.
3. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van verzoeker zo dat hij vraagt om het bestreden besluit te schorsen. Hierbij wijst verzoeker op zijn belangen en spoedeisendheid. Verzoeker voert aan dat hij de uitspraak op zijn beroep niet in Nederland mag afwachten. Daarnaast is zijn verblijf als ongewenstverklaarde strafbaar.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het ontbreken van schorsende werking van het beroep onvoldoende is om spoedeisend belang aan te nemen. In het bestreden besluit is allereerst opgenomen dat verzoeker de uitkomst van zijn verzoek in Nederland mag afwachten. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder een concreet voornemen heeft verzoeker op korte termijn uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen, zoals verweerder in het verweerschrift heeft bevestigd.
5. De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat hij door zijn aanwezigheid in Nederland strafbaar is omdat hij ongewenst is verklaard, levert evenmin spoedeisend belang op. Met de verzochte voorziening kan verzoeker eventuele strafrechtelijke vervolging wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht niet voorkomen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt namelijk dat het verzoek uitsluitend geacht kan worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om verzoeker uit te zetten, maar de ongewenstverklaring blijft voortduren, ook als de verzochte voorziening wordt getroffen.
6. Onder al deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen onverwijlde spoed om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 maart 2025 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6287 en 14 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7784.