Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:4545
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,054 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2957
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Metalsi).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 15 november 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 januari 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Het asielrelaas
2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser stelt Nigeria in 2016 te hebben verlaten en is via Niger, Libië, Italië en Frankrijk naar Nederland gereisd. Op 15 november 2021 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Nigeria vreest voor de 'Eye cult'. Eiser heeft op 31 augustus 2023 in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor toegelicht dat zijn moeder en zus door een groep mannen van de Eye cult zijn verkracht in Nigeria. Eiser stelt hiervan getuige te zijn geweest, hierbij zelf te zijn mishandeld en voor dood te zijn achter gelaten. Eiser stelt dat hij daarna in het ziekenhuis door deze mannen is bezocht. Met behulp van zijn nicht kon eiser uit het ziekenhuis ontsnappen en Nigeria ontvluchten.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas de volgende relevante elementen:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de Eye cult.
3.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de Eye cult acht verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft beide elementen niet onderbouwd met documenten. Eisers verklaringen over de cult zijn summier. Hij weet niets over deze cult, het ontstaan van zijn problemen en de ontsnapping uit het ziekenhuis. Eiser heeft over de situatie met zijn moeder en zusje niets verklaard in het nader gehoor. Niet valt in te zien waarom eiser dit niet heeft verteld tijdens één van de gesprekken met de IND. Eiser geeft aan dan hij vergeetachtig is, maar er zijn geen medische stukken die kunnen onderbouwen dat eiser zich helemaal niets zou kunnen herinneren. Verweerder rekent het eiser daarom aan dat hij summier heeft verklaard en acht zijn verklaringen om die reden niet geloofwaardig.
De beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de medische problemen van eiser. Verweerder is ten onrechte van de inhoud van de Medifirst-adviezen van 13 oktober 2022 en van 23 april 2023 uitgegaan. Er is namelijk geen medische informatie opgevraagd, terwijl er aanwijzingen waren dat eiser gezondheidsproblemen had. Dat blijkt uit zijn verklaringen en de informatie van Vluchtelingenwerk van 22 december 2022. Eiser is vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat gedetailleerd te verklaren. Eisers houding is in het medisch advies ten onrechte geduid als ‘niet coöperatief’, terwijl zijn gedragingen aanleiding hadden moeten geven om medische informatie op te vragen. Dit betekent dat tijdens het nader gehoor onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheid van eiser om te worden gehoord. Bij het afnemen van het nader gehoor is verweerder ten onrechte uitgegaan van het Medifirst-advies van 13 oktober 2022, nu dit advies gedateerd was. Daarnaast staat in dit advies ten onrechte dat eiser toen niet onder medische behandeling stond, terwijl dat wel het geval was. Daarbij komt dat eiser nadrukkelijk heeft verzocht om te worden gehoord in aanwezigheid van een medewerker van Vluchtelingenwerk. Verweerder heeft dit nagelaten en daarmee ook onzorgvuldig gehandeld.
Het standpunt van verweerder
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle informatie van Medifirst, maar ook de door eiser overgelegde informatie, is betrokken bij de besluitvorming. In het Medifirst-advies van 13 oktober 2022 staat dat eiser kon worden gehoord en verweerder mag hier in beginsel van uitgaan. Hoewel er beperkingen zijn met betrekking tot het horen van eiser, heeft hij dermate algemeen verklaard dat dit als summier wordt aangemerkt. Eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn asielrelaas naar voren te brengen. Verweerder stelt dat uit het Medifirst-advies van 21 april 2023 blijkt dat eiser niet coöperatief was. Eiser heeft niet meegewerkt aan het onderzoek en gaf vaak als antwoord ‘weet ik niet’. Om deze reden heeft verweerder bij het nader gehoor het Medifirst-advies van 13 oktober 2022 aangehouden. Voor zover eiser stelt dat hij ten tijde van het advies van 13 oktober 2022 wel onder medische behandeling stond, stelt verweerder dat dit niet bekend was. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij onder medische behandeling stond. Verweerder stelt dat in het voornemen reeds is erkend dat er geen medewerker van Vluchtelingwerk aanwezig was bij het nader gehoor, maar dat de hoormedewerker er alles aan heeft gedaan om eiser op zijn gemak te stellen tijdens het gehoor. Bovendien heeft eiser niet aangegeven te willen stoppen met het gehoor.
Zorgvuldigheid van het gehoor en de besluitvorming
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder van een Medifirst-advies mag uitgaan, is het volgende juridische kader van belang. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), volgt dat een Medifirst-advies is aan te merken als een deskundigenadvies. Als verweerder een Medifirst-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van te vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. Eiser kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een Medifirst-advies betwisten. Met stukken van zijn behandelaars kan een vreemdeling de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een deskundig advies aan de orde stellen dan wel concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud daarvan.
7. De rechtbank stelt vast dat Medifirst op 13 oktober 2022 een advies aan verweerder heeft uitgebracht. Uit dit advies kan worden opgemaakt dat er spreekuurcontact is geweest tussen een verpleegkundige en eiser en dat er geen medische informatie is opgevraagd. Een arts heeft dossieronderzoek verricht. In het advies wordt geconcludeerd dat eiser kan worden gehoord. Vastgesteld wordt dat eiser medische klachten heeft, waaronder darmklachten en cardiale klachten. Eiser gebruikt voor zijn cardiale klachten medicijnen, die hij ook mee moet nemen naar het gehoor. Verder wordt opgemerkt dat eiser niet onder medische behandeling staat.In het advies is voorts het volgende (voor zover van belang) opgenomen:
‘Er is een mogelijkheid tot psychische decompensatie bij een negatieve beschikking.
Betrokkene benoemd dat hij analfabeet is.
Er is sprake van beperkingen die relevant zijn voor het horen en/of beslissen, te weten dat betrokkene heeft aangegeven dat hij moeite heeft met het plaatsen van exacte data bij gebeurtenissen. En benoemd dat hij niet altijd namen kan onthouden. Dit ook voortkomend uit analfabetisme.
Geconstateerd dat betrokkene vertraagd is in het begrijpen van de vraagstellingen en het geven van antwoorden. Ook geeft betrokkene hele korte antwoorden. Gelieve hier rekening mee houden tijdens zijn gehoor. Graag betrokkene korte en gerichte vragen stellen. De vragen zo nodig herhalen, verduidelijken of de vragen op een andere manier stellen.’
8. De rechtbank stelt voorts vast dat Medifirst op 21 april 2023 een tweede advies heeft uitgebracht. Uit dit advies blijkt dat er een spreekuurcontact is geweest met een arts, dat eiser wel onder medische behandeling staat, dat hij medicijnen gebruikt en dat er geen medische informatie is opgevraagd.
Conclusie
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Het is aan verweerder om het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder onderzoeken wat de medische beperkingen van eiser betekenen voor zijn mogelijkheid om te verklaren en de besluitvorming. Hiervoor dient verweerder nader advies in te winnen bij Medifirst en daarbij de door eiser overgelegde informatie betrekken.
13.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zestien weken. Met het stellen van deze termijn houdt de rechtbank rekening met het feit dat verweerder een medisch advies dient in te winnen bij Medifirst en dat er mogelijk nog een nieuw gehoor moet plaatsvinden, gevolgd door nieuwe besluitvorming.
13.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 januari 2024;
- draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.
Medifirst-advies van 13 oktober 2022, pagina 2.
Medifirst-advies van 21 april 2023, pagina 2.