Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:4322
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,277 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11309
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Verweerder heeft op 11 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Desgevraagd heeft verweerder op 14 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 17 maart 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1988.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Middelburg van 8 januari 2025. Vervolgens is een eerder vervolgberoep ingediend. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 13 februari 2025. Hieruit volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 10 februari 2025.
4. Eiser voert aan dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig is. Eiser wijst op het verslag van het vertrekgesprek van 11 maart 2025. Het verslag bevat geen informatie waarop de conclusie is gebaseerd dat er geen omstandigheden zijn aangevoerd door eiser naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Dit maakt dat er geen controle mogelijk is op de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel van bewaring. Volgens eiser is het enkele feit dat er een vlucht is geboekt voor 20 maart 2025 onvoldoende om geen vertrekgesprek te voeren en uit te gaan van rechtmatigheid van de maatregel van bewaring.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Sinds het sluiten van het onderzoek in het voorgaande vervolgberoep heeft verweerder geprobeerd eiser op 15 februari 2025 uit te zetten naar zijn land van herkomst. Echter wegens verzet van eiser is deze vlucht geannuleerd. Voor 20 maart 2025 is wederom een vlucht geboekt om eiser uit te zetten. Daarnaast is op 11 maart 2025 met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Gelet op deze uitzettingshandelingen werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Dat het verslag van het vertrekgesprek van 11 maart 2025 geen informatie bevat op basis waarvan is geconcludeerd dat door eiser geen omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de bewaring niet langer zou kunnen voortduren, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het verslag blijkt dat aan eiser is medegedeeld dat hij op 20 maart 2025 zal worden uitgezet. Eiser heeft verder niet onderbouwd welke informatie in het verslag van het vertrekgesprek ontbreekt op grond waarvan de bewaring niet langer zou kunnen voortduren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025.
ECLI:NL:RBDHA:2025:1954.