Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:4298
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,323 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12623
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam 1] , verzoekster,
geboren op [geboortedatum 1] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer 1] ,
[naam 2], verzoeker,
geboren op [geboortedatum 2],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer 2],
[naam 3], verzoeker,
geboren op [geboortedatum 3],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer 3],
[naam 4], verzoeker,
geboren op [geboortedatum 4],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer 4],
hierna gezamenlijk te noemen verzoekers,
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers over een dreigende plaatsing in de Gezinslocatie te Burgum.
1.1.
Ingevolge artikel 8:83, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indien onverwijlde spoed dat vereist een zitting achterwege blijven. Daarvoor bestaat in dit geval aanleiding.
Wat is aan de beoordeling van het verzoek vooraf gegaan
2. De minister heeft verzoekers bij besluit van 17 maart 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (de vrijheidsbeperkende maatregel) opgelegd en hen verplicht om met ingang van 18 maart 2025 te verblijven in de gemeente Tietjerkstradeel, alwaar zij zich in de vrijheidsbeperkende gezinslocatie (GL) te Burgum dienen op te houden. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 17 maart 2025 gevraagd om met spoed een voorlopige voorziening te treffen. In dat verzoek om een voorlopige voorziening staat, dat het verzoek ertoe strekt dat verzoekers wordt toegestaan om tijdens hun beroepsprocedure in de vrijheidsbeperkende maatregel, in het asielzoekerscentrum (AZC) Harderwijk te blijven. Het spoedeisende belang is er in gelegen dat er een overplaatsing dreigt naar de Gezinslocatie te Burgum en dat dit slecht is voor de gezondheid van verzoekers omdat zij dan geen contact meer kunnen hebben met hun behandelaren. Verzoekers zijn erg afhankelijk van de zorg door hun behandelaren en medisch specialisten en dus is verblijf in het AZC in Harderwijk een noodzaak, aldus verzoekers.
3. De artikel 64 van de Vw aanvraag van verzoekers is op 30 januari 2025 afgewezen. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing en hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. Dit verzoek om een voorlopige voorziening is aanhangig bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle.
4. De griffier heeft telefonisch contact gehad met de gemachtigde van verzoekers en heeft de gemachtigde gevraagd of het verzoek connex is aan het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, of verzoekers nog op het AZC in Harderwijk zijn, welke contacten er zijn geweest met het COa en DT&V en in hoeverre contact is geweest met de rechtbank te Zwolle over de daar aanhangig zijnde voorlopige voorziening.
5. Verzoekers hebben op 18 maart 2025, desgevraagd een brief aan de voorzieningenrechter doen toekomen. In de brief staat, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling van dit verzoek van belang, dat verzoekers nog in AZC Harderwijk zijn, dat de vrijheidsbeperkende maatregel een overplaatsingsbesluit is naar de GL in Burgum, dat wordt verzocht de overdracht naar de GL in Burgum op te schorten tot een uitspraak op het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is gedaan en dat zittingsplaats Zwolle nog overleg moet hebben over het daar aanhangige verzoek om een voorlopige voorziening.
Beoordeling
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers met hun verzoek om een voorlopige voorziening niet kunnen bereiken wat zij voor ogen hebben, de vrijheidsbeperkende maatregel is namelijk geen plaatsingsbesluit genomen door het COa. De GL in Burgum is een door de minister gefaciliteerde locatie. De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek er niet toe kan leiden dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wordt opgedragen om opvang te blijven bieden aan verzoekers. Verzoekers kunnen, indien zij bezwaar hebben tegen het einde van opvang door het COa, rechtsmiddelen aanwenden tegen het einde van de opvang.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.