Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:4147
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,879 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.441
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. E. de Bonth).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 januari 2025 niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Bos als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.2.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen om uit te zoeken of eiser in de nationale procedure is opgenomen. Eiser heeft de mogelijkheid gekregen om te reageren en daarvan ook gebruik gemaakt. Vervolgens hebben de minister en eiser allebei nogmaals een reactie gegeven.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening
neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Sluiten onderzoek zonder nadere zitting
5. Ter zitting is afgesproken dat de minister de mogelijkheid kreeg om uit te zoeken of eiser in de nationale procedure is opgenomen of dat hij nog een Dublinprocedure heeft lopen. Verder is afgesproken dat de gemachtigde van eiser daar nog op mocht reageren. Zowel de minister als de gemachtigde van eiser hebben dit gedaan en zij hebben allebei toestemming gegeven om het onderzoek zonder nadere zitting te sluiten. De gemachtigde van eiser heeft in de reactie van 29 januari 2025 nog nieuwe beroepsgronden aangevoerd. Daarop heeft de minister op 31 januari 2025 gereageerd en verzocht om deze nieuwe gronden buiten beschouwing te laten. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser op 31 januari 2025 weer gereageerd, de eerder verleende toestemming ingetrokken en daarbij vermeld dat eiser prijs stelt op een nieuwe behandeling op zitting zodat hoor- en wederhoor kan plaatsvinden over de nadere beroepsgronden.
6. De rechtbank zal geen nieuwe zitting plannen. De gemachtigde van eiser heeft al toestemming gegeven om het onderzoek zonder nadere zitting te sluiten en kan daar later niet op terug komen. Bovendien heeft de reden waarom zij geen toestemming meer geeft te maken met de nadere beroepsgronden die zij tijdens een nadere zitting wil bespreken. Daarvoor ziet de rechtbank geen aanleiding. Ter zitting is afgesproken dat het onderzoek wordt geschorst zodat partijen alleen nog kunnen reageren op de vraag of eiser in de nationale procedure is opgenomen of niet. De nadere gronden van eiser zien daar niet op.
7. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak zonder nadere zitting.
Is eiser opgenomen in de nationale procedure?
8. Eiser stelt dat hij is opgenomen in de nationale procedure in Nederland. Hij verwijst daartoe naar een e-mailbericht, waaruit blijkt dat hij samen met zijn partner is gekoppeld aan dezelfde advocaat en dat er een aanmeldgehoor is gepland op 10 februari 2025.
9. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft in zijn reactie van
21 januari 2025 aangegeven dat het digitale systeem van de IND is geraadpleegd en dat er geen stukken zijn die erop wijzen dat eiser in de nationale procedure is opgenomen. Uit de brief in het dossier blijkt alleen dat eiser samen met zijn gestelde partner is gekoppeld aan dezelfde gemachtigde. Bovendien staat in het bericht dat er nog een spoor 2 of Dublinzaak kan bijkomen. Wat de gemachtigde van eiser daartegen heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan het bericht van de minister. De beroepsgrond slaagt niet.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
10. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In Duitsland hebben meerdere incidenten voorgedaan. Eiser verwijst daartoe naar een productie die niet bij het beroepschrift is bijgevoegd. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat dit achterhaalde nieuwsberichten zijn.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
11. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de minister, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat de Duitse autoriteiten het Unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake in het geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
12. De rechtbank oordeelt dat eiser hierin niet is geslaagd. De minister heeft ter zitting terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 december 2024,2 waarin de Afdeling heeft bevestigd dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft geen nieuwe informatie overgelegd die kan leiden tot een ander oordeel dan gegeven in de voornoemde Afdelingsuitspraak. Als eiser toch problemen ervaart tijdens zijn asielprocedure, is het aan hem hierover bij de (hogere) Duitse autoriteiten te klagen. Het is niet gebleken dat dit voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Toepassing bepalingen hoofdstuk 3 van de Dublinverordening
13. Eiser voert aan dat uit de familiebanden met zijn partner en kind in Nederland op grond van hoofdstuk 3 van de Dublinverordening voortvloeit dat Nederland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag.
14. De rechtbank oordeelt dat eisers beroep op hoofdstuk 3 van de Dublinverordening niet slaagt. Een vreemdeling kan op de criteria in dit hoofdstuk alleen een beroep doen in een overnamesituatie.3 Het claimverzoek door Duitsland is geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Daaruit volgt dat eiser eerder in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend en er sprake is van een terugnamesituatie. Dat betekent dat eiser geen beroep kan doen op hoofdstuk 3 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 16 van de Dublinverordening
15. Eiser voert verder aan dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 16 van de Dublinverordening, omdat zijn partner en kind afhankelijk zijn van zijn zorg.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Er moet tussen eiser en zijn gestelde partner en kind een afhankelijkheidsrelatie bestaan, wil er voor de minister de verplichting gelden tot het in behandeling nemen van zijn asielaanvraag op grond van artikel 16 van de Dublinverordening. De bewijslast hiervoor ligt bij de vreemdeling. Eiser heeft deze afhankelijkheidsrelatie niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen (medische) documenten overgelegd, waaruit de gestelde afhankelijkheid blijkt. De minister hoefde de asielaanvraag van eiser dus niet op grond van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
2 ECLI:NL:RVS:2024:5202.
3 HvJ 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280 en Afdeling 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672.
Artikel 17 van de Dublinverordening
17. Eiser voert verder aan dat de minister op grond van artikel 17 van de Dublinverordening eisers asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Het is in het belang van zijn minderjarige kind om door beide ouders te worden opgevoed. Eiser wijst daarbij op artikel 17 van het Handvest.
18.
Conclusie
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Duitsland.
23. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 februari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.