Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:4067
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,029 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46923
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan om te verblijven in Nederland onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 11 oktober 2024 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen tot op het bezwaar is beslist.
1.2.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
1.3.
Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. Bij brief van 7 februari 2025 heeft verweerder aangegeven dat hij zich niet langer verzet tegen toewijzing ten aanzien van hetgeen is verzocht in het verzoekschrift. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toe te wijzen en zal de voorlopige voorziening toewijzen zoals die is gevorderd in het verzoekschrift. De rechtbank zal aldus de rechtsgevolgen van het besluit van 11 oktober 2024 schorsen totdat op het bezwaarschrift is beslist en verder bepalen dat verweerder verzoeker niet mag uitzetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist en dat verzoeker rechtmatig verblijf en recht op verblijf in de opvang heeft tot vier weken na de beslissing op het bezwaarschrift.
Conclusie
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2025 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 oktober 2024 worden geschorst totdat op het bezwaarschrift is beslist, dat de uitzetting van verzoeker achterwege blijft tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist en dat verzoeker rechtmatig verblijft en recht op verblijf in de opvang heeft tot vier weken na de beslissing op het bezwaarschrift;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022.
Zie artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.