Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:4002
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
978 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10107
V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] en [V-nummer 4]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker 1] , verzoeker 1,
[verzoeker 2]
, verzoeker 2,
[verzoekster 1]
, verzoekster 1,
[verzoekster 2]
, verzoekster 2,
hierna tezamen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een mvv afgewezen.
Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Op 3 maart 2025 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
1. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, onder meer als het verzoek kennelijk ongegrond is.
3. Verzoekers stellen te zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 2005, [datum 2] 2007 en [datum 3] 2008 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Zij hebben op 23 februari 2023 aanvragen gedaan tot afgifte van een mvv, met het oog op ‘verblijf als familie- of gezinsleden bij [referent]’ (referent). Verweerder heeft deze aanvragen afgewezen, omdat volgens hem het belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van verzoekers om het aan te nemen familie-/ gezinsleven met referent in Nederland te kunnen uitoefenen.
4. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om te bepalen dat zij worden behandeld alsof zij in het bezit zijn van een mvv totdat op hun bezwaar is beslist en om de ambassade op te dragen een mvv af te geven binnen twee weken na de uitspraak op het verzoek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een dergelijk verzoek niet vatbaar voor toewijzing, omdat de gevraagde voorziening ieder voorlopig karakter mist. Verzoekers vragen immers dat hen toegang tot Nederland wordt verleend. Toewijzing van dit verzoek betekent dat hiermee een beslissing op het bezwaar tegen de weigering van een mvv zinledig is.
5. Dat verzoekers stellen dat zij in Afghanistan in hun veiligheid worden bedreigd, maakt het voorgaande niet anders. In wat verzoekers hebben gesteld ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de in bezwaar aangevallen besluiten evident onjuist zijn.
6. Het verzoek zal worden afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2025 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Algemene wet bestuursrecht.