Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:3906
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,386 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42147
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Lammers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is van Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] . Hij heeft op 30 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 oktober 2024 afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser leefde rond zijn zesde levensjaar op straat vanwege een slechte relatie met zijn vader. Hij is toen in huis genomen door een man met wie hij gedwongen geslachtsgemeenschap moest hebben in ruil voor onderdak. Rond het tweede jaar van de middelbare school leerde eiser [naam] kennen, met wie hij een relatie kreeg. Hij is destijds met [naam] betrapt in de wc van hun school, waardoor eisers ouders en de gemeenschap van eisers homoseksualiteit op de hoogte geraakten. Eiser is op 16 jarige leeftijd naar Benin vetrokken en daarna weer teruggekeerd naar Nigeria. Rond 2020 ontmoette eiser een man [naam] die ook homoseksueel was en lid was van de Indigenous People of Biafra (IPOB, een separatistische groepering). Door [naam] is eiser in verband gebracht met de IPOB en hebben soldaten en politieagenten geprobeerd hem te ontvoeren. Er is daarbij ook op hem geschoten en als gevolg van deze aanvaring is zijn toenmalige buurvrouw om het leven gekomen. Vervolgens is [naam] door het leger en de politie doodgeschoten. Eiser is daarop met een studievisum naar Oekraïne vertrokken.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
eisers seksuele geaardheid en de daaruit volgende problemen;
sympathisant van IPOB en daaruit volgende problemen.
6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook gelooft de minister dat eiser sympathiseert met de IPOB. De minister gelooft echter niet dat eiser homoseksueel is en dat hij om die reden problemen heeft ondervonden. De minister gelooft ook niet dat eiser vanwege zijn sympathie met de IPOB in de problemen is geraakt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag van eiser moet worden afgewezen.
Heeft de minister het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig mogen vinden?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Hij wijst erop dat de minister in totaal zeven punten uit het voornemen laat vallen zonder te motiveren waarom het vervallen van deze punten volgens hem geen gevolgen heeft voor de besluitvorming.
Verder is de minister volgens eiser ten onrechte tot de conclusie gekomen dat hij wisselend heeft verklaard over wanneer eiser zich aangetrokken is gaan voelen tot mannen. Volgens eiser stemmen zijn verklaringen dat dit tussen zijn 11e en zijn 16e zou zijn gebeurd overeen met zijn verklaringen dat dit rond zijn 11e of 12e zou zijn gebeurd. De minister werpt eiser ten onrechte tegen dat hij zou hebben verklaard dat hij rond zijn 6e al gevoelens zou hebben gehad. Ook betoogt eiser dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd over de aard van de relaties die hij naar eigen zeggen is aangegaan met [naam] en met een andere jongen op de kostschool. Eiser heeft tijdens het nader gehoor zelf verklaard dat hij in datzelfde gehoor nooit heeft gezegd dat hij leerlingen op de kostschool heeft gezegd dat zij ook konden doen wat eiser heeft meegemaakt en dat dit geen probleem zou zijn. De minister kan eiser daarom niet tegenwerpen dat hij enerzijds aangeeft dat hij bang was om het over homoseksualiteit te hebben met zijn schoolgenoten, maar dat hij twee van hen wel zou hebben voorgesteld om seksueel contact te hebben.
Volgens eiser zoekt de minister spijkers op laag water door aan eiser tegen te werpen dat hij wisselend zou hebben verklaard over wanneer de school op de hoogte zou zijn geraakt van de relatie tussen hem en [naam] . Volgens eiser heeft hij verklaard over twee verschillende dingen, namelijk dat de school al wist van hun relatie en dat ze op enig moment ook zijn betrapt. Voorts betoogt eiser dat de minister hem niet mag tegenwerpen dat hij over de onderwerpen die te maken hebben met zijn seksualiteit summier en oppervlakkig heeft verklaard. Het is volgens eiser aan de minister om rekening te houden met de culturele context. Eiser betoogt dat de minister had moeten doorvragen en dat eiser alles heeft verklaard wat van hem kon worden verwacht. Tot slot werpt de minister eiser ten onrechte tegen dat hij slechts vermoedde dat de mannen kwamen om hem te ontvoeren. Dat een en ander een vermoeden is, is logisch en mag hem niet worden tegengeworpen.
8. Het betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Dat zal de rechtbank hieronder toelichten.
Vervallen tegenwerpingen
8.1.
De omstandigheid dat de nodige punten, die in het voornemen nog aan eiser zijn tegengeworpen, in het bestreden besluit niet langer worden tegengeworpen door de minister, doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat de kern van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas ziet op de tegenstrijdige en wisselende verklaringen van eiser en op zijn summiere verklaringen over zijn eigen gevoelens in relatie met zijn geloof, zijn relatie met [naam] en op zijn oppervlakkige verklaringen over de pride en andere LHBTI-activiteiten en de situatie voor LHBTI in Nigeria. Ook wijst de minister op eisers tegenstrijdige en wisselende verklaringen over de gestelde ontvoeringspoging. De vervallen tegenwerpingen doen daaraan volgens de minister niet af. De rechtbank volgt de minister in deze uitleg.
8.2.
Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2024, leidt de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel. In de betreffende zaak heeft de minister bij navraag in het geheel niet kunnen aangeven wat de dragende overwegingen waren nadat enkele punten uit het voornemen waren vervallen. Dat heeft de minister in deze zaak wel gedaan.
Homoseksuele geaardheid
8.3.
De minister heeft aan zijn standpunt ten grondslag mogen leggen dat eiser wisselend heeft verklaard over wanneer hij erachter zou zijn gekomen dat hij homoseksueel is. Eiser heeft daarover verklaard dat hij er op de middelbare school achter kwam dat hij op mannen viel. Hij heeft aangegeven dat dit tussen zijn 11e en 16e levensjaar was, maar ook dat het rond zijn 11e en 12e moet zijn geweest. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij rond zijn zesde levensjaar een natuurlijk gevoel heeft ontwikkeld, daaraan gewend is geraakt en op zoek te zijn gegaan naar dat gevoel. Daarmee heeft eiser niet eenduidig en duidelijk verklaard over wanneer hij voor het eerst gevoelens voor mannen kreeg.
Verder wijst de minister er niet ten onrechte op dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe eiser zelf met zijn homoseksualiteit omging. Eiser verklaart namelijk dat hij zijn problemen wilde vergeten, maar ook dat hij niet het gevoel had dat zijn homoseksualiteit slecht of verkeerd was. Eiser verklaart dat hij in het tweede jaar van de kostschool, toen de oudere medeleerling waar hij een relatie mee had vertrok, op eigen initiatief aan [naam] en een andere medeleerling [naam] liet weten dat je ook ‘dit’ kon doen, en dat ze daarna seks hadden. Eiser verklaart hierover dat het geen probleem was, maar ook dat hij bang was het tegen iemand te zeggen, omdat hij anders misschien in de problemen zou komen en dat het geheim moest blijven. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig.
Conclusie
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit art. 31, lid 6 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Beoordeling
Dat eiser, nadat hij met deze verklaringen is geconfronteerd zelf aangeeft nooit een ander te hebben willen overtuigen om seksueel contact te hebben, neemt niet weg dat de minister eiser mag tegenwerpen dat hij bovenstaande heeft verklaard. Eiser heeft namelijk niet aangegeven wat hij dan wel zou hebben verklaard, of hoe deze verklaring anders zou moeten worden opgevat door de minister.
De minister mag eiser ook tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop eisers relatie met [naam] bekend raakte op school. Enerzijds verklaart eiser dat iedereen erachter kwam dat hij met [naam] een relatie had omdat ze werden betrapt op de wc en dat iemand dat heeft gemeld bij de ’Patron’, terwijl hij later in hetzelfde gehoor aangeeft dat de melding bij de Patron is gedaan door klasgenoten die er niet van hielden dat eiser en [naam] ‘altijd met elkaar omgingen’. De rechtbank volgt eisers verklaring niet dat het hier twee verschillende momenten betrof, nu uit de verklaringen van eiser duidelijk blijkt dat hij over beide momenten heeft verklaard dat hij naar aanleiding daarvan bij de Patron moest komen en dat niet uit eisers verklaringen volgt dat hij meer dan één keer bij de Patron moest komen.
De minister heeft zijn standpunt verder mogen baseren op de omstandigheid dat eiser oppervlakkig en vaag heeft verklaard over zijn relatie met en gevoelens voor [naam] . Eiser verklaart daarover slechts dat de relatie hem gemoedsrust en liefde gaf. Verder verklaart eiser oppervlakkig over de eigenschappen van [naam] . Hij verklaart over goede eigenschappen maar weet slechts één negatieve eigenschap te noemen, namelijk dat [naam] snurkte. Ook verklaart eiser slechts dat de relatie met [naam] anders was omdat hij en [naam] intimiteit deelden. De minister vindt dat niet ten onrechte onvoldoende.
Ook werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat hij onvoldoende heeft kunnen benoemen wat het met hem deed dat zijn homoseksualiteit in strijd is met het christendom, waarin eiser naar eigen zeggen is opgevoed. Zijn verklaringen hierover zijn summier. Eiser heeft niet voldoende duidelijk weten te benoemen wat dit besef met hem deed, welke gedachten hij daarbij had en hoe hij zich daarbij voelde. Eiser heeft naar eigen zeggen zichzelf alleen de vragen gesteld hoe hij hier was beland en wat hij kon doen. Verder kon eiser naar eigen zeggen bij niemand terecht en moest hij het in zijn eentje opknappen. Ook heeft eiser aangegeven niet meer te hebben gepraktiseerd omdat hij geen schuldgevoel wil. De minister wijst er in dit kader niet ten onrechte op dat eiser stelt met het geloof te zijn opgegroeid en priester wilde worden. Mede in aanmerking genomen dat eisers geaardheid de kern van zijn asielrelaas is, mocht de minister van eiser verwachten dat hij hierover meer had kunnen vertellen.
Verder vindt de minister het niet ten onrechte opvallend dat eiser, alvorens hij is gevlucht naar Oekraïne, niet heeft onderzocht hoe het in dat land was gesteld met LHBTI-acceptatie. Ook verklaart eiser volgens de minister vaag en algemeen over de situatie van LHBTI in Nigeria. Tot slot werpt de minister aan eiser niet ten onrechte tegen dat hij naar eigen zeggen niet van plan was om asiel aan te vragen in Oekraïne. De minister vindt, anders dan eiser betoogt, niet ten onrechte dat deze omstandigheid afbreuk doet aan het asielrelaas van eiser.
Problemen met IPOB
8.4.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet geloofwaardig is dat eiser problemen heeft ondervonden wegens zijn steunlidmaatschap bij de IPOB. De minister overweegt dat uit landeninformatie volgt dat vanuit IPOB geweld wordt gepleegd maar dat nergens uit volgt dat er sprake is van gewelddadigheden door de Nigeriaanse autoriteiten. Verder is het bloedbad waarbij volgens eiser 400 mensen zijn vermoord door de Nigeriaanse overheid nergens terug te vinden in de beschikbare landeninformatie.
8.4.1.
Ook mag de minister aan eiser tegenwerpen dat hij tegenstrijdig, wisselend en vaag verklaart over de gestelde poging tot ontvoering. Eiser verklaart daarover dat hij geen actief lid was, waarmee hij volgens de minister impliceert dat hij wist waarom de mannen kwamen, terwijl hij later in het gehoor vertelt dat hij niet wist waarom ze kwamen. Verder kan eiser niet uitleggen wie naar hem op zoek waren, waarom en hoe ze zijn naam wisten. Dit zijn volgens de minister vage verklaringen. Dat eiser naar eigen zeggen ook niet had kunnen weten wie naar hem op zoek waren maakt dat niet anders, nu eiser kennelijk wel een vermoeden had dat hij door deze mensen werd gezocht wegens zijn steunlidmaatschap van de IPOB. Voor de hand ligt dan dat eiser ook wel een vermoeden zou hebben over wie deze mensen zouden kunnen zijn. Verder werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat hij na de poging tot ontvoering (in februari 2021) niet meteen is vertrokken, maar dat hij pas na de dood van [naam] in mei 2021 begreep dat hij niet langer kon blijven en in oktober 2021 naar Oekraïne is vertrokken.
9. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat onvoldoende rekening is gehouden met de culturele context waarin eiser zijn verklaringen heeft afgelegd. De minister heeft in het bestreden besluit expliciet een onderdeel ‘referentiekader’ opgenomen waarin is weergegeven welke persoonlijke en culturele context de minister aanhoudt bij de besluitvorming. Eiser heeft niet geconcretiseerd waarom dit volgens hem onvoldoende zou zijn. De enkele stelling ter zitting dat het voor Afrikanen doorgaans moeilijker is te verklaren over hun emoties en gevoelens is daarvoor niet voldoende. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd. Dat eiser later in de procedure aanvullende verklaringen heeft overgelegd betekent niet dat eiser gedurende het gehoor reeds daarom kennelijk niet voldoende in staat zou zijn gesteld om zijn relaas volledig te doen.
9.1.
De aanvullende verklaringen van eiser leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nu eiser door de minister voldoende in staat is gesteld om te verklaren, had van hem ook mogen worden verwacht dat hij in een eerder stadium volledig zou hebben verklaard. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij liever een mannelijke tolk zou hebben gehad, de tolk niet goed zou hebben vertaald en dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om correcties en aanvullingen in te dienen. Allereerst heeft eiser dit betoog niet nader onderbouwd. Ook blijkt uit het verslag van het gehoor niet dat eiser heeft aangeven liever een mannelijke tolk te willen hebben. Eiser heeft wel aangegeven dat de tolk mogelijk dingen niet goed heeft verstaan. Eiser is daar in de correcties en aanvullingen echter niet op teruggekomen, terwijl dat de aangewezen plaats zou zijn geweest om te wijzen op waargenomen (structurele) problemen met de vertaling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.