Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:3859
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9938
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 4 maart 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 6 maart 2025 de gronden van het beroep ingediend. Op 7 maart 2025 heeft verweerder een reactie op de gronden van het beroep ingediend. Op 12 maart 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Ugandese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1990.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarnaast voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen.
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met een lichter middel. In de maatregel van bewaring zijn enkel de medische omstandigheden kenbaar meegewogen om al dan niet een minder dwingende maatregel op te leggen. In de maatregel wordt verder niet gerept over andere omstandigheden die het toepassen van een lichter middel zouden kunnen rechtvaardigen. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt immers dat eiser absoluut geen problemen heeft om overgedragen te worden aan Spanje. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat niet enkel de medische situatie van eiser is betrokken, maar ook het gegeven dat eiser heeft verklaard niet terug te willen naar Spanje. Ook heeft verweerder betrokken dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan toezicht. Omdat er verder geen sprake is van omstandigheden die de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend maken en is gebleken dat de maatregel niet lang zou hoeven te duren gelet op de geplande overdracht van 4 maart 2025, is volgens verweerder niet overtuigend gesteld dat er met een lichter middel kan worden volstaan.
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het risico op onderduiking dat daaruit voortvloeit, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat, anders dan in de beroepsgronden wordt gesuggereerd, eiser heeft aangegeven dat hij niet wil terugkeren naar Spanje. De medische omstandigheden van eiser heeft verweerder ook onvoldoende kunnen achten. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Verder heeft verweerder terecht gewezen op de medische zorg die voorhanden is in het detentiecentrum. Eiser heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat met een lichter middel had moeten worden volstaan. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.